De zwakheden van een ruilebuiter

Deze sympathiek uitziende heer is Jacobus van Boxtel, geboren op 4 januari 1827 te Uden, overleden op 25 februari 1900 te Wanroij. Zijn moeder was Johanna van Boxtel, een ongehuwde moeder, die toen haar zoon acht jaar was trouwde met ene Antonius Goossens. Jacobus van Boxtel huwde op 18 mei 1850 gehuwd met Adriana (Jaantje) de Wit, eveneens uit Uden, samen kregen ze elf kinderen. Ze woonden in buurtschap Molenheide bij Uden. Na haar overlijden hertrouwde hij met de weduwe Wilhelmina van Tienen, met wie hij geen kinderen meer kreeg. Jacobus van Boxtel was soms werkzaam als arbeider, dan weer als wever of koopman, maar vooral als ruilebuiter: iemand die door ruilhandel aan de kost komt. Dit was een zeer armoedig bestaan, zodat hij soms door middel van diefstal van levensmiddelen de huishoudpot aanvulde. Uit de gevangenisregisters kennen we het volgende signalement van Jacobus van Boxtel:

Geslacht: mannelijk Lengte: 1,64 meter Haar: bruin, later grijs
Vader: onbekend Aangezicht: ovaal Ogen: bruin
Moeder: Johanna Kleur: gezond Baard: bruin
Geboorteplaats: Uden Kin: rond, breed Wenkbrauwen: bruin, later grijs
Laatste woonplaats: Uden Voorhoofd: hoog, gerimpeld
Gewone taal: Nederduitsch Neus: gewoon, gebogen
Echtelijke staat: gehuwd Mond: gewoon Bijzondere tekenen: kaalhoofdig, dun van haar, een litteken aan de linkerzijde van de hals
Godsdienstige gezindheid: Roomsch Handtekening: schrijven onkundig
Beroep of betrekking: arbeider

Jacobus van Boxtel had twee zwakheden: sterke drank en gezagsdragers. Beide hadden een uitwerking op hem als een rode lap op een stier. Met zo’n kwade dronk en driftige natuur kan het haast niet anders of zijn gezinsleden en onmiddellijke buren moeten telkens opgelucht zijn geweest als hij weer eens de cel in moest. Er is een indrukwekkende lijst met strafrechtelijke veroordelingen van Jacobus van Boxtel. Een aantal heb ik kunnen uitdiepen middels het raadplegen van de vonnissen:

Jacobus van Boxtel, 20 jaar, ruilebuiter, groot verlofganger van de Nationale Militie, werd samen met zijn partner in crime, de spinster Johanna Maria Kuijten, beschuldigd van  1) diefstal van een roggebrood uit de woning van de weduwe van Eerssel te Uden op 10 april 1847, 2) diefstal van een stuk spek uit de woning van de bouwman Jan van den Heuvel te Uden op 2 april 1847, 3) diefstal van een tinnen waterpot uit het voorhuis van Gerardus van de Loop in februari of maart 1847 te Boekel, 4) diefstal van acht ponden boekweitmeel uit de woning van Franciscus de Goeij te Uden op 1 april 1847. Hoewel per strafbaar feit de schuld van beiden niet vast kon worden gesteld, werden ze gemakshalve beiden schuldig verklaard, ook omdat ze volgens de processtukken al eerder samen voor het hekje hadden moeten verschijnen voor verduistering. Beiden moesten voor een jaar de gevangenis in.

Jacobus van Boxtel werd aangeklaagd voor mishandeling van Johannes Wilhelmus Verhoeven, Martinus Peerenboom en diens vrouw Petronella Hendriks op 7 juni 1849 te Uden. Volgens de slachtoffers was Jacobus van Boxtel in de late avond naar het huis van Verhoeven gekomen om drank te kopen. Direct begon hij tegen Verhoeven te “smaadredenen”. Hij rukte Verhoeven buiten de deur en sloeg hem met een stalhout uit een nabij staande houtmijt op de rug en het hoofd. Verhoeven raakte lichtgewond. Peerenboom en zijn vrouw kwamen tussenbeide. Peerenboom kreeg krabben in zijn gezicht, en zijn vrouw kreeg een slag met het hout op haar hoofd, waardoor ze gewond raakte en geneeskundige hulp nodig had, en waardoor ze enkele dagen niet kon werken. Getuigen zagen Van Boxtel later bij de woning op de grond liggen met een knuppel in de hand, hij had een grote hond bij zich. Van Boxtel zelf verklaarde dat hij zo beschonken was geweest, dat hij niet meer wist wat er voorgevallen was, maar dat hij geen reden had om de afgelegde getuigenissen te weerspreken. Van Boxtel werd veroordeeld tot gevangenzetting voor de tijd van zes maanden en een geldboete van acht gulden.

In 1851, hij was 24 jaar, werd hij veroordeeld voor het moedwillig toebrengen van een slag tot twee maanden gevangenisstraf in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

Ook in 1851, hij was inmiddels 25 jaar, kreeg hij voor het toebrengen van slagen twee maanden en een maand gevangenisstraf, in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

Jacobus van Boxtel, 26-jarige ruilebuiter, werd beschuldigd van diefstal van een stuk spek uit de winkel en ten nadele van Peter Lammers te Vierlingsbeek op 4 mei 1852. Lammers had verklaard dat rond drie uur ’s middags uit zijn winkel of het voorhuis van zijn woning te Vortum (gemeente Vierlingsbeek) een stuk spek, een gedeelte van een schouderstuk, van ruim drie Nederlandse ponden gemist werd. Het had daar aan een haak gehangen. Zijn arbeider had gezien dat een onbekende persoon de woning binnen was geweest. Deze persoon had bij het verlaten van de woning iets onder zijn kiel verborgen. Ook had de arbeider gezien dat de onbekende iets in de heg had weggeworpen. Dat bleek het stukje hout te zijn waarmee dat spek was opgehangen. Getuigen hadden Van Boxtel met zijn vrouw die een kruiwagen duwde al eerder gezien, en hadden waargenomen dat terwijl zij de hoofdweg vervolgde, hij af sloeg naar de woning van Lammers. De marechaussee die van de diefstal in kennis gesteld was, achterhaalde het stel en trof in de wagen een hoeveelheid spek aan die overeenkwam met het vermiste. Van Boxtels vrouw verklaarde dat ze haar man 10 cent gegeven had om spek te kopen, nabij Vortum, en dat hij inderdaad teruggekomen was met spek. Van Boxtel werd schuldig verklaard aan diefstal en moest voor twee jaar de gevangenis in. Het grootste deel van zijn straf zat hij uit in de strafgevangenis van Hoorn. Deze instelling werd ook wel de krententuin genoemd, omdat gedetineerden er krenten moesten sorteren.

In het jaar 1855, toen hij 29 jaar was, moest hij voor het toebrengen van slagen een maand gevangenisstraf in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.
Jacobus van Boxtel werd weer aangeklaagd voor drie incidenten: 1) Op 7 maart 1859 had hij met een steenworp Albertus van der Wijst te Uden moedwillig verwond zodat hij bloedde. 2) Toen de manschappen van de marechaussee en de veldwachter hem voor dat feit aanhielden had hij hun gezegd dat zij beroerde kerels, dieven lijders en smeerlappen waren, en tegen een van hen sprak hij: “Als ik jou onder vier ogen had, smeerlap, dan trok ik je je rode baard uit. Als ik je alleen had, dan stak ik je dood!” 3) Hij had in woorden, houding en gebaren gebedeld bij het woonhuis van meneer pastoor, met daarbij de bedreiging: “Indien ik niets krijg moet de pastoor zich maar voor de gevolgen van zijn weigering wachten!” Ook zou hij gezegd hebben: “Ik wil niet gaan voordat ik onderstand heb.” Van Boxtel verweerde zich door te beweren dat hij dronken was geweest tijdens de voorvallen. Hij zei zich niets te herinneren, behalve dat hij gebedeld had, maar niet met dreigementen. Jacobus van Boxtel werd schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en acht maanden, en in twee geldboetes ieder van zestien gulden.

In 1864, hij was 38 jaar, werd hij voor mishandeling na reeds twee malen tot gevangenisstraf van meer dan een jaar te zijn veroordeeld geweest veroordeeld tot vijftien dagen eenzame opsluiting, in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

Jacobus van Boxtel moest voorkomen omdat hij op 17 september 1865 zijn huisvrouw Adriana de Wit te Uden moedwillig had geslagen. Hij was die nacht dronken naar huis gebracht, thuis beval hij zijn vrouw om koffie te zetten. Toen zij de koffie op tafel zette, sloeg hij de kom van tafel en viel zijn vrouw aan. Hij sloeg haar met de hand verschillende keren in het gezicht, voordat ze door de derde aanwezige ontzet kon worden. Zijn schoonmoeder, die kennelijk bij hen inwoonde, was ondertussen hulp gaan halen, ze riep volgens getuigen: “Kom gauw, want hij maakt Jaantje kapot!” Van Boxtel zelf verklaarde dat hij dronken was geweest, hij kon zich er niets van herinneren.  De straf: 1 maand in eenzame opsluiting en een geldboete van acht gulden.

Jacobus van Boxtel werd aangeklaagd voor het op 24 september 1866 mishandelen van de commies H. Vorsters uit Uden. Hij was een herberg te Uden binnengegaan en had gevraagd of daar Volkelse commiezen waren, hij zei daarbij: “Ik zal ze eens over de heide en de bossen brengen!” Hij had Vorsters tweemaal met de vuist op de borst gestoten. Enige tijd later kwamen de twee elkaar in een andere herberg weer tegen. Jacobus van Boxtel herhaalde zijn woorden, en zei: “Ik zal ze fooi tippelen!” Toen Vorsters richting Volkel ging stond Van Boxtel hem achter een boom op te wachten. Hij viel Vorsters aan. Vorsters wierp Van Boxtel in een droge sloot, maar Van Boxtel stond op en kwam met een mes in de hand weer op Vorsters af en stak hem en sneed hem in de linkerhand, maar het was geen verwonding die hem het werken zou belemmeren. Van Boxtel beweerde later wederom dat hij dronken was en dat hij zich niets van hetgeen voorgevallen was herinnerde. Van Boxtel werd veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf en vijfentwintig gulden boete. Een jaar van zijn straf zat hij uit in ’s-Hertogenbosch, daarna werd hij weer in Hoorn ondergebracht.

In 1866, hij was inmiddels 40 jaar, kreeg Jacobus voor mishandeling een dag eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.
Jacobus van Boxtel, 44 jaar uit Uden werd beschuldigd van op 13 november 1871 te Uden tegen de brigadiercommandant van de Marechaussee en de gemeenteveldwachter te hebben geroepen: “Ik heb schijt aan de marechaussees en de veldwachter, zij kunnen verrekken!” Toen de veldwachter hem in bewaring wilde stellen, sloeg hij hem moedwillig waardoor ‘bloedstorting is voortgebragt’. Jacobus van Boxtel werd veroordeeld tot drie maanden en een geldboete van vijf en twintig gulden, subsidiair drie dagen cellulaire gevangenisstraf.

In 1872, hij was 44 jaar, werd Jacobus van Boxtel voor het toebrengen van slagen, welke bloedstorting hebben ten gevolge gehad aan een bedienend beambte in de waarneming van zijn dienst, veroordeeld tot twee maanden eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s- Hertogenbosch.

In 1873, hij was nu 45 jaar, volgde een veroordeling voor eenvoudige diefstal: een maand eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.
Jacobus van Boxtel werd aangeklaagd voor mishandeling van zijn schoonmoeder Catharina van der Ven op 8 april 1874 te Uden. Hij zou haar moedwillig gestoten, geslagen en verwond hebben. Getuigen hadden die dag geroep uit het huis van Van Boxtel gehoord, vervolgens kwam zijn vrouw naar buiten, gevolgd door Van Boxtel. Ook hadden ze gezien dat Van Boxtel zijn schoonmoeder, die bejaard en slecht ter been was, zo’n klap gaf dat zij ter aarde viel. Een buurman, die had vernomen dat de vrouw van Jacobus van Boxtel die dag bedlegerig was, en het tumult zag en hoorde, wilde het huis van Van Boxtel binnengaan om te helpen, maar hij kreeg het bevel zich weg te maken. Van Boxtel gaf hem een stoot, zodat hij achterover viel. Daarna sloeg Van Boxtel hem met een spade op het hoofd. Een andere getuige zag deze buurman achterover in de stalmest liggen, terwijl van Boxtel er bij stond met de spade. Van Boxtel riep de getuige toe: “Ga even buiten, dan sla ik hem dood!” Jacobus van Boxtel verklaarde ter terechtzitting dat zijn schoonmoeder hem onverdiende verwijten had gedaan, en dat hij haar daarom een klap had gegeven, dat hij de buurman inderdaad had geslagen met de steel van een spade maar niet dacht dat hij hem hierdoor verwond had. Jacobus van Boxtel werd schuldig verklaard en veroordeeld tot zes maanden eenzame opsluiting.

In 1875 was Jacobus van Boxtel 47 jaar, hij werd veroordeeld wegens belediging met woorden van een bevelhebber der gewapende macht in de waarneming zijner bediening en slaan van een bedienend beambte onder het waarnemen van zijn dienst, waardoor geen bloedstorting, kwetsing of ziekte is ontstaan, tot een maand eenzame opsluiting in de gevangenis van ’s-Hertogenbosch.

In 1875, hij was inmiddels 48 jaar,werd Jacobus van Boxtel voor eenvoudige moedwillige mishandeling veroordeeld tot een maand eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s- Hertogenbosch.

In 1876, Jacobus van Boxtel was 48 jaar, werd hij voor belediging met woorden van een bedienend beamte in de waarneming van zijn functie veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch

Ook in 1876, terwijl hij al weer 49 jaar was, werd hij voor mishandeling veroordeeld tot een dag eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

In het volgende jaar, 1877, hij was inmiddels 50 jaar,werd hij veroordeeld voor  eenvoudige diefstal tot een maand eenzame opsluiting in de gevangenis van ’s-Hertogenbosch

Jacobus van Boxtel werd beschuldigd van het mishandelen van Hendrikus van der Linden in Uden, in de avond van 5 augustus 1879. Van der Linden verklaarde dat hij voorbij de woning van Van Boxtel kwam, en dat de hond van Van Boxtel op hem af sprong. Hij verweerde zich tegen de hond met een stok, maar toen de stok uit zijn hand viel greep Van Boxtel de stok, hij wierp Van der Linden op de grond en sloeg herhaaldelijk met de stok ‘zeer gevoelig’ op hem in zodat hij last van zijn schouder had. Jacobus van Boxtel gaf op dronken te zijn geweest, en later niet meer te weten wat er gebeurd is. Jacobus van Boxtel werd schuldig verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand en een geldboete van acht gulden.

Jacobus van Boxtel, 53 jaar, en Johannes Josephus Gros, 19 jaar, beiden ruilebuiters uit Uden, werden beschuldigd van gezamenlijk en in vereniging in de nacht van 27 op 28 september 1879 ten nadele van Mart. Zeegers te Uden uit diens tuin, die rondom door heggen en gebouwen was afgesloten, “nabij zijn bewoonde huizing de diefstal te hebben gepleegd van twee vat peren, staande op een boom, door die af te plukken en zich arglistig toe te eigenen, de tweede althans van medeplichtigheid daaraan door bij die tuin op de openbare weg de wacht te houden”. Van Boxtel was degene die in de boom was geklommen en de peren had afgeschud, en gezamenlijk hadden de ruilebuiters de peren verzameld. Ze waren met hun buit naar de koopman in fruit P. Maassen gegaan, en hadden hem gewekt door een klop op de deur en door te roepen: “Geld beuren“.  Toen Maassen vroeg hoe ze aan de peren gekomen waren antwoordde Gros: “Dat moet ge niet vragen“. Gros zei verder: “Als ge een gulden geeft, is het goed“, waarop de koopman hem een gulden gaf. Gros deelde het geld direct met Van Boxtel. Uit de bewijslast bleek verder dat zij beiden klompen hadden gedragen, en dat er klompafdrukken in de tuin bij de perenbomen aangetroffen waren, en dat de bij Maassen aangetroffen peren het zelfde uiterlijk hadden als de peren in de boom van Zeegers. Jacobus van Boxtel werd gezien zijn eerdere veroordelingen veroordeeld tot vijf jaar tuchthuisstraf, en Gros tot negen maanden, plus de proceskosten.

In 1880, Jacobus van Boxtel was 53 jaar, werd hij veroordeeld voor eenvoudige moedwillige mishandeling: een dag eenzame opsluiting, in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

Dat zelfde jaar, maar toen hij al 54 jaar was, werd hij weer veroordeeld voor eenvoudige moedwillige mishandeling tot een dag eenzame opsluiting in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

In het jaar 1885, toen hij 58 jaar was, werd Van Boxtel veroordeeld wegens diefstal, hij kreeg drie maanden eenzame opsluiting in de gevangenis van ’s-Hertogenbosch. Aan het einde van zijn straf werd hij gefotografeerd voor het geheim register van gevangenen waarvan recidive waarschijnlijk was.

Jacobus van Boxtel werd berecht omdat hij op 22 december 1886 zich had vervoegd aan de voordeur van het huis van Martinus de Wit en Franciscus van den Broek bij Volkel, terwijl hij bedelend om een bos stro vroeg. Hij werd veroordeeld tot 8 dagen hechtenis.

In het jaar 1887, toen Jacobus van Boxtel al 60 jaar was, werd hij veroordeeld wegens belediging en mishandeling tot vijf dagen gevangenisstraf in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch.

In 1899 liet Jacobus van Boxtel voor het laatst van zich horen: hij diende op 72-jarige leeftijd het ongebruikelijke verzoek in om weer naar de krententuin in Hoorn te worden gestuurd. Kennelijk werd het niet ingewilligd.

Het een half jaar later stierf hij in Wanroij bij zijn dochter Adriana Maria, die hem waarschijnlijk op zijn oude dag in huis had genomen.
***
Ik heb op deze site veel meer verhalen over Brabantse boeven en boefjes geplaatst. Lees bijvoorbeeld dit verhaal over de Oirschotse struikrover. Jacobus van Boxtel was ook weer zo’n geval dat buiten de boot viel. Ik heb een algemeen kader geschetst van de omstandigheden in de negentiende eeuw in dit stuk.

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht