Een zonnekoning in de Arbeitseinsatz, deel 1: werken bij M.A.N.

Astronaut André Kuipers ontdekt in Verborgen Verleden de ervaringen van zijn voorouder tijdens de Arbeitseinsatz in Duitsland. Die werd in Berlijn tewerkgesteld in een wapenfabriek. Vreselijk en stressvol moet het geweest zijn. Veel mannen hadden tijdens de Arbeitseinsatz hele nare ervaringen en wilden er later niet meer over praten, om de herinneringen eraan te onderdrukken. Mijn eigen opa, Sjef, had totaal andere ervaringen met de Arbeitseinsatz. Hij was exact een half jaar in Duitsland, van juni tot december 1943. Ook hij heeft er weinig over gepraat, maar niet vanwege trauma’s. Toch is er bijzonder veel over bekend, omdat hij – bijna zodra de trein vertrok – brieven begon te schrijven aan zijn vrouw Grada, steeds met tussenpozen van ongeveer twee dagen. En zij heeft alles bewaard. Door het verhaal van Sjef te vertellen wil ik absoluut niet de ervaringen van anderen bagatelliseren. Maar zijn verhaal is volgens mij echt uniek te noemen. Ik zal het merendeels in zijn eigen woorden vertellen.

Omstandigheden

Maar eerst even een toelichting over wie mijn opa was. Sjef, niet geboren maar deels getogen in Eindhoven, kwam uit een eenvoudig milieu. Zijn vader was schoenmaker van beroep. Al zijn broers en zussen waren werkzaam of werkzaam geweest als Philips-arbeiders. In 1943 was Sjef bijna dertig, woonde met Grada en twee kleine kindertjes in een kleine arbeiderswoning in Eindhoven. Hij had sinds zijn zestiende jaar bij Philips gewerkt, hij was er bankwerker. Sjef wilde net zoals de andere Nederlandse jongemannen die in 1943 opgeroepen werden niet naar Duitsland. Maar waar veel Nederlandse jongemannen bezwaren hadden vanwege het naziregime, kon Sjef gewoon zijn jonge gezinnetje niet missen.

Naar Nazi-Duitsland gaan gaf Sjef in ‘t geheel geen gewetensbezwaren. Mijn opa zelf was afkomstig het grensgebied met Duitsland. De Duitse taal was daarom geen groot obstakel. Zijn liefste zus Marie was gehuwd met een man die dienst had genomen bij de Germaanse SS. En Nel, zijn schoonzus, was getrouwd met de Duitse Hans en al sinds 1937 woonachtig in Duitsland. Was mijn grootvader zelf een nazi, of pro-Duits? Nee, dat was hij niet. Hij was in wezen a-politiek. Hij behoorde tot het slag Brabanders dat weinig vertrouwen heeft in officiële bestuursorganen, dat veel meer waarde hecht aan de stem van familie dan aan propagandacampagnes en dat zijn zaakjes liever onderhands en onderling dan langs officiële instanties regelt, behalve natuurlijk als er een financieel voordeel te behalen is. Voor wie hier meer over wil weten: dit stuk geeft ook een interessant inkijkje in de Brabantse cultuur. Voor Sjef en Grada waren met name de meningen van Nel leidend. Nel was de bazige grote zus van Grada, die sinds zij in Duitsland woonde minstens een keer per week een lange brief stuurde, en haar ongezouten inzichten deelde. En Nel was net als zoveel Duitsers helemaal in de ban van Hitler. In maart 1840 schreef Nel al: “Zeg Grada wat je schrijf van dat die Engelsen geen rovers zijn, nee dat zijn ze niet maar veel gemeender. Bandieten, schurken, uitzuigers zijn het, niet dat Engelse volk die arbeiten, maar die regering, die Plutocraten, je moet maar de geschiedenis lezen wat ze in 1902 in Transvaal gedaan hebben [….] Maar laten wij de politiek maar aan onze Führer over, die schaft het schon.”

Op transport

Sjef stapte in Eindhoven op de trein na een hartverscheurend afscheid van Grada en begon al aan zijn “lieve schat” te schrijven toen ze nog maar bij Venlo waren, het was 16 juni 1943 toen zijn reis begon. Hij schreef: “Ben in Venlo aangekomen. We zitten met 6 man in een coupé en ze beuren elkaar allemaal zo’n beetje op, ofschoon we eigenlijk niet te…” Kennelijk moesten ze de trein weer uit, want hij begint opnieuw op een andere briefkaart. “Liefste vrouw, ik zal maar een kaartje schrijven vanuit Kaldenkirchen. Wij waren om 1 uur in Kaldenkirchen en het is nu al acht uur. Wij krijgen hier direct eten, een flink stuk kuch met boter en een schijf worst, dat hebben wij om 5 uur gehad. Maar toen kregen wij er nog tomatensoep bij, maar je weet wel, schat, dat ik die niet lust. Zeg, wij moeten hier blijven slapen in hotel Keizershof. Dus wij zijn nog niet veel verder gekomen, ze hadden ons best die ene dag bij mekaar kunnen laten…” Toen hij later eenmaal op zijn bestemming was aangekomen beschreef hij de reis nog eens in detail. Het hotel in Kaldenkirchen had hem helemaal niet bevallen. Het waren zo’n bedden boven mekaar, je kreeg maar een dun dekentje en het stikte er van de vlooien. Hij had geen oog dicht gedaan, trouwens haast niemand van de jongens. Het was zo koud, dat ze vooral door de zaal gewandeld hadden om een beetje op temperatuur te blijven. De volgende dag moesten ze zich weer melden op het Arbeitsamt, ’s middags kregen ze alweer die soep, die moest hij dus niet hebben. Daarna werden de jongens voor de doorzending “opgeruimd”. Sjef bleef als laatste over, hij was de enige van de Eindhovense jongens die naar Stuttgart moest. De volgende dag kwamen er alsnog groepen mannen aan die ook naar Stuttgart moesten, “maar dat waren allemaal Rotterdammers en Amsterdammers, daar had ik ook niets aan”, aldus Sjef. De volgende briefkaart meldde: “Zojuist in Frankfort aangekomen. Donderdagmorgen om 5 uur 10. Wij hebben tot woensdagavond 10 uur in Kaldenkirchen moeten wachten. […] ik hoop vanavond in Stuttgart aan te komen. […] Ik kon er in Mainz niet uitstappen, want er was een geleider bij ons en die hield ons tegen.”

Mainz

Sjef hoopte op weg naar Stuttgart in Mainz te komen, bij zijn schoonzus en zwager Nel en Hans, die in Hechtsheim bij Mainz woonden. Om tien uur ’s avonds was Sjef met die Rotterdammers en Amsterdammers in Kaldenkirchen op de trein gezet richting Stuttgart. Ze hadden allemaal een kaartje gekregen met het nummer 54 erop, dat betekende dat ze geen van allen mochten uitstappen voor ze Frankfurt bereikten. Daar moesten ze allemaal naar het Arbeitsamt. Sjef ging met die heren praten en had wel een half uur staan permitteren of hij niet terug naar Mainz mocht. Op het laatst gaven ze maar toe, maar toen hij in Mainz kwam stuurden ze hem alsnog door naar Wiesbaden. Dat wou Sjef niet. Hij naaide er stiekem uit op zijn eentje. Hij sprong op de tram richting Hechtsheim. En wie zat daar in de tram? Hans! Een gelukkig toeval. Natuurlijk ging hij meteen mee naar hun huis. Wel was Sjef nu zijn papieren kwijt, want die had de leider bij zich die hem naar Wiesbaden zou brengen. Vlakbij Mainz, in Gustavsburg, was de M.A.N.-machinefabriek. Na een nachtje logeren bij Nel en Hans ging hij er de volgende ochtend meteen heen om zich aan te melden, per slot van rekening moest hij dringend geld verdienen om naar huis te sturen. En dat niet alleen: Nel had besloten dat hij bij haar in de kost zou gaan, maar elders een slaapkamer zou huren, bij een oude weduwvrouw, zoals Sjef geruststellend naar Grada schreef. Want Nel had geen plaats en wilde ook geen problemen met haar huisbaas. Het kostgeld bij Nel zou vijftig Mark per maand zijn. De kamer zou vier Mark per week kosten. Sjef hoopte maar vurig dat hij genoeg over zou houden voor Grada en de kinderen. Want hij schreef aan Grada dat hij nu ook reiskosten zou hebben. Want om bij de fabriek te komen moest hij eerst met de elektrische tram naar de stad (1 Mark 70 voor een weekkaart) en daarna met de trein naar Mainz Gustavsburg (90 Pfennig voor een weekkaart). Nel verklaarde in haar eigen brief aan Grada: “Maar dan heeft hij het toch ook beter als in het Lager, want dat hebben ze van de week ontgast vanwege de wandtieten.”

Bij M.A.N.

1900 Werk_Gustavsburg

De fabriek in Gustavsburg rond 1900 (Bron: Wikimedia Commons)

Sjef ergerde zich over de bureaucratie bij de aanmelding op de fabriek. De beambten wisten niet zo goed wat ze aan moesten met een dwangarbeider die niet in het Lager wilde wonen. Bovendien waren zijn papieren nog in Wiesbaden. Ze vroegen hem wat zijn vak was. “Schlosser,” (sleutelmaker) zei hij trots. Hij werd gekeurd (“en natuurlijk goed”) dus hij kon direct beginnen, ofschoon de papieren nog niet allemaal in orde waren. Het werken bij M.A.N. viel Sjef vies tegen. Hij schreef aan Grada: “Ik sta op het ogenblik in de bankwerkerij en dat is hier niet als bij Philips, hoor. Hier zijn het allemaal grote zware stukken ijzer. Dat kun je ook wel denken, want het is hier een fabriek voor bruggenbouw, dat moet natuurlijk stevig zijn.” Maar wat zijn werk precies was kon hij niet goed uitleggen. Zowat half bankwerker, maar hij dacht dat hij binnenkort aan de montage zou komen. Na de oorlog vertelde hij vol trots dat hij, doordat hij zich Schlosser had genoemd, op een afdeling was geplaatst waar hij er niets van terecht bracht. De baas had tegen hem gezegd: “Bist du ein Schlosser?! Du bist ein Bauer!” Er werkten gelukkig meer Hollanders bij de M.A.N.-fabriek, Eindhovenaren had hij nog maar een paar gezien, omdat de fabriek zo groot was. Maar Sjef zelf stond vooral tussen Fransen en Russen te werken, want die werkten er ook veel en daar verstond hij helemaal geen klap van. Er was blijkbaar genoeg gelegenheid om een praatje te maken met Hollandse lotgenoten, want Sjef had de tweede werkdag al gehoord dat ze maar eens in de twee maanden uitbetaald kregen, dat het niet veel was en dat je nooit wist wanneer er uitbetaald werd. Bovendien mochten ze maar eens in het half jaar met vakantie naar huis, zeiden ze. Dat viel tegen! Hij schreef Grada dat ze zijn oude broek moest opsturen, want “anders hou ik geen broek meer over. Dat ijzerroest dat trekt door die overall heen als koek, en het is niets als roest.”

De eerste week bij M.A.N. miste hij meteen twee werkmiddagen, doordat hij met andere nieuwkomers in het ziekenhuis doorgelicht moest worden. Dat was voornamelijk wachten, omdat de dokter geen tijd voor hen had. Sjef baalde ervan dat die uren niet uitbetaald zouden worden. Anderzijds had hij na een week al zo’n hekel aan dat werken, dat kon je niet geloven. Ten eerste was het gewoon zo’n vuil werk, ten tweede was het voor Sjef heel zwaar, omdat hij altijd lichte arbeid had gehad. Zijn handen waren na die eerste week helemaal kapot tot aan de ellebogen aan toe in en zijn zwarte broek zat ondanks de overall al een scheur op de knie. Een week later waren ook de zolen onder zijn schoenen uit gevallen. Grada moest hem dringend andere schoenen sturen, liefst klompschoenen, om zijn zondagse schoenen niet te verpesten in de fabriek, want in de fabriek was het niets als ijzer en daar moet je overal tussendoor en overheen…

Na drie weken werken bij M.A.N. kon Sjef haast niet meer schrijven, zo’n pijn deden zijn handen. Ze waren dan ook overal kapot, hij wou ze nog voor geen gulden dichtknijpen. Trouwens, zo zei hij eerlijk, mijn handen waren ook niets gewend. Een paar dagen later ging het schrijven Sjef nòg moeilijker af. Hij had zijn hele rechterhand in het verband zitten. Hij was tijdens het werk met zijn hand uitgeschoten, recht met zijn pink in een groot stuk ijzer, flink diep erdoor, tot op het bot. Het was op de bovenkant van zijn pink geweest, ongeveer een paar centimeter lang. Hij ging als de bliksem naar de dokter die er twee krammetjes inzette. De dokter zei dat Sjef in de ongevallenwet moest, maar Sjef gaf aan dat hij wilde blijven werken, hij had het geld immers nodig. De dokter zei dat hij dat dan maar zelf moet weten. Sjef legde aan Grada uit dat je maar vijftig procent krijgt uitbetaald als je in de ongevallenwet bent, dat was een te groot verlies. Pijn had hij er niet aan, dus Sjef deed alsof er niets aan de hand was en prutste in de fabriek maar zo’n beetje mee. Maar de baas sprak hem aan, die zei: “Je kunt nu toch haast niets doen, dus blijf maar netjes thuis.” De volgende dag ging Sjef toch weer aan het werk, maar de wond was flink gaan bloeden nadat hij kracht had gebruikt, dat kon die wond niet hebben. De fabrieksdokter was al weg, daarom moest hij in Mainz bij een Rode Kruispost de wond laten verbinden. Hij was bang dat hij alsnog in de ongevallenwet zou moeten, anders zou die wond nooit dicht gaan. Hij hoopte dat hij loopwerk of iets kon krijgen, zodat hij wel aan het werk zou kunnen blijven.

Of het niet erg genoeg was, zaten een dag later allebei zijn handen in het verband, “wat verrek lastig is, want ik kan mij nu nog niet meer fatsoenlijk wassen en je zult het ook wel aan het schrijven zien.” Niet alleen bleef zijn rechterpink maar bloeden, maar nu was zijn linker wijsvinger tussen twee platen ijzer gekomen. Er waren twee kleine stukjes uit het topje van zijn vinger geklemd. Het was wel meestal vel, maar het deed op dat moment erg zeer. Een dag later voelde hij er al niets meer van. Wat Sjef toen nog niet wist was dat hij een erfelijke stoornis in de bloedstolling had, waardoor een wond abnormaal lang door blijft bloeden. Wel was hem duidelijk geworden dat hij echt de ongevallenwet in moest. Dat betekende, zoals hij had gehoord, drie wachtdagen, waarna je slechts vijftig procent uitbetaald kreeg, “dus dat is nog slechter als bij ons de ziektewet.” Aan Grada beschreef hij hoe de procedure eruitzag: ten eerste moest hij ’s ochtends naar de fabriekskliniek om de wond te laten verbinden. Daarna moest hij naar het kantoor van de Krankenkasse een Krankenschein halen, vervolgens naar Mainz naar het stadsziekenhuis. Daar moest hij naar “den doorgangsdokter”, daar werd de wond opnieuw verbonden. Weer moest hij naar de Krankenkasse voor een bewijs. Dat moest hij naar de dokter in Hechtsheim, waar hij woonde brengen, en moest de wond opnieuw verbonden worden. Die dokter gaf dan weer een bewijs wat hij op de Krankenkasse moest afgeven. Zo was zijn eerste dag als arbeidsongeschikte goed gevuld. Overigens was deze procedure alleen zo omslachtig voor de “jongens die particulier liggen”, bij de jongens van het Lager zorgde de Lagerführer ervoor. Het bezoek aan de dokter in Hechtsheim had hij niet meer gered op de eerste dag, dat moest wachten tot de volgende. Gelukkig woonde de dokter recht tegenover zijn slaapkamer. Na een week in de ongevallenwet begon zijn hand te genezen. De ongevallenwet werd wekelijks uitbetaald, hij had daar 21 Mark van gebeurd. Hij mocht na een dag of tien, 27 juli was het, weer aan het werk. Toen hij thuiskwam was hij haast kapot, hij had de hele dag geen droge draad aan zijn lijf gehad, zo heet was het. Hij verzekerde Grada dat het er niet zoals bij Philips was, waar hij met werken de boord altijd om had, in Gustavsburg kon hij die met werken niet om. Wel met de heen en terugreis, maar met werken niet, want dat was niet vol te houden. Sjef werd na een paar weken bij M.A.N. op de montage gezet, dat was goed werk, alleen werd je er zo vuil en smerig van. Nel had al gezegd dat ze zijn overall nooit meer schoon zou krijgen. Sjef zijn handen bleven ook vuil, maar het werk was niet zo

1970 Montagehalle_und_Großraumwerkstätte_in_Gustavsburg

De Montagehalle van M.A.N. omstreeks 1907 (Bron: Wikimedia Commons)

zwaar, dat was al veel waard. Wel was zijn overall al helemaal versleten, als Grada blauwe lappen kon sturen voor Nel om hem op te lappen zou dat fijn zijn.

Begin september was Sjefs werk op de montage weer afgelopen. Dat werk was helemaal stopgezet en vervallen. Daarna werkte hij weer aan het oude. Soms ging dat wel, dan was het stukwerk, daar kon hij goed mee verdienen, maar het was elke dag ander werk. Dan een partij van dit, dan een partij van dat, maar natuurlijk kreeg je ook wel partijen waar je niets mee kon halen. Het was elke dag wat anders, maar vooral veel grote ijzeren platen bijvijlen en slijpen. Hij kreeg van de fabriek houtschoenen, er zou daarvoor tien Mark op zijn loon worden ingehouden. De schoenen waren loodzwaar, maar daarmee kon hij zijn eigen schoenen sparen.

Op maandag zes september kon Sjef weer niet werken. Twee dagen eerder was er een stukje staal in zijn oog gesprongen. Op dat moment merkte hij het niet, maar op zondag in de kerk begon het zeer te doen en te tranen. ’s Avonds kon hij met dat oog haast niet meer zien. Daarom ging hij op maandagochtend naar de dokter, die stuurde hem door naar de specialist. Daar zat hij van 11 tot 1 uur. De specialist liet er een vloeistof inlopen, toen is dat vuiltje gezakt en kon hij het er met een naald uithalen. Toch had Sjef er de hele dag nog last van gehad, en was het al laat, dus ging hij maar niet meer werken. De volgende dag moest hij weer bij de dokter langs die zijn oog insmeerde. De dokter zei hem de volgende dag weer terug te komen. Sjef schreef: “Maar als het een beetje goed is ga ik niet want dan moet ik weer minstens drie uur verletten, of nog langer, en daar heb ik niet veel zin in, want het is nu toch al 1 ½ dag, dat scheelt direct veel meer.” Wel beloofde hij om terug te gaan als hij er toch nog last van kreeg, want beter een beetje schade als een slecht oog.

Het was de laatste week van september toen Sjef weer een bedrijfsongeval had. Sjef was over de fabrieksafdeling aan het lopen, toen hij geroepen werd door een andere Hollander, of hij even wou helpen. De jongen had een ijzeren plaat op tafel liggen van zes meter lang en 1,20 meter hoog. Die moest hij omdraaien. Natuurlijk lukte dat niet met de hand, dat ging met kranen, maar dat kon die jongen niet. Sjef had hem verteld hoe hij dat moest doen, maar nog voor de jongen er mee kon beginnen schoot die plaat van de tafel af, juist boven op zijn rechter voetgewricht. Dat kwam aan! Die plaat woog eventjes driehonderd kilo, en hij lag eronder met zijn voet. Hij had wel even een schreeuw gegeven. “Maar van mijn geloof ben ik niet gegaan, hoor. Je weet dat ik dat nooit doe.” Toen hebben ze met zes man die plaat eraf getild. Ze zeiden tegen hem: “Je bent er gelukkig nog goed vanaf gekomen, je had je voet net zo goed kwijt kunnen zijn.” Hij kon toen nog tamelijk goed lopen en ging direct naar de kliniek. Daar legden ze een verband aan. Na schafttijd was zijn voet zo opgezwollen en deed hij zo’n pijn dat hij geen stap meer kon verzetten. De ziekenwagen werd gebeld en Sjef werd naar het ziekenhuis gebracht. Er werden vier foto’s van zijn voet gemaakt. Gelukkig was er niets gebroken, het waren alleen bloeduitstortingen. Ze brachten hem met de ziekenwagen naar huis. Zijn schoen kon hij allang niet meer aan, zijn voet was nog dikker dan zijn enkels geworden. Erop staan kon hij een paar dagen later nog niet, alleen al als de voet naar beneden hing barstte hij al van de pijn, maar als hij op een stoel lag ging het goed. De dokter had gezegd dat hij er toch wel een paar weken goed mee zou zijn. Gelukkig was het niet gebroken, de enige verzorging was dat er natte azijndoeken omheen moesten. Het was wel weer een financiële strop, omdat hij alweer arbeidsongeschikt was geworden. Pas na drie weken, in de tweede week van oktober, kon hij weer aan het werk.

De eerste werkdag was weer zwaar geweest. ’s Avonds deden zijn voeten zo’n pijn, dan was hij blij dat hij zijn schoenen uit kon trekken. Vooral de rechtse, want hij werkte wel, maar zijn voet was nog niet helemaal beter. Hij liep nog steeds een beetje mank en de voet was ook nog een beetje dik. Dan viel het niet mee als je de hele dag moest staan. In november kreeg hij ruzie met zijn baas. Daar lag hij altijd al mee overhoop, maar nu had de baas er echt genoeg van. Sjef werd overgegeven aan een andere meester. Voortaan moest hij buiten werken, zo’n beetje transport en zo. Dat was op zich geen zwaar werk, maar juist begon het koud te worden. En vooral op de binnenplaatsen van de fabriek was het koud, daar was het altijd mistig, doordat die fabriek midden tussen twee wateren lag, de Mainz en de Rijn. Na een dag kou lijden ging Sjef meteen informeren om ander werk. De chef zou wel eens kijken. Hij zou, mocht hij geen ander werk krijgen, weer naar de dokter gaan met zijn voet. Die was immers nog altijd dik, ofschoon hij geen pijn deed. Misschien zou de dokter dan wel een briefje willen schrijven dat hij niet mocht lopen, zodat hij weer binnen kon werken. Natuurlijk zou hij dan wel weer minder verdienen, het was maar goed dat hij gauw met verlof mocht. Inderdaad had Sjef net zo lang gelopen en geluld tot hij weer in de fabriek stond. Ook was hij ervoor naar de dokter geweest. Die kon hem evenwel geen briefje geven, dat moest de fabrieksdokter doen, zei hij. Wel schreef hij Sjef een gummi sokje voor, om zijn voet weer dunner te laten worden want die was nog steeds opgezwollen. En zo kwam december 1943, de maand waarin hij met verlof hoopte te gaan, in zicht.

Lees hier hoe het verder ging met Sjef: deel 2 en deel 3.
De omslagposter is afkomstig van Het Verzetsmuseum.

Misschien ook interessant...?

One thought on “Een zonnekoning in de Arbeitseinsatz, deel 1: werken bij M.A.N.

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht