Genieten van griezelen

Het is de tijd van het jaar weer. Reclame voor de Halloween Fright Nights, kinderen die zich verkleden als heksen, mummies of zombies. Heel wat gezinnen in het Brabantse versieren in oktober hun huizen met spinnenwebben en zetten pompoenen bij het woonkamerraam. Sommigen gaan er best ver in. Die zetten grafzerken in de voortuin, of, zoals ik een keer zag in een rustige woonwijk: hangen afgehakte ledematen in de bomen van het plantsoen. Halloween is in Noord-Brabant een vrij nieuw fenomeen, maar griezelen is van alle tijden.

In mijn familie lijkt het genieten van griezelen genetisch bepaald, er was een tak die er echt veel genoegen aan beleefde. Men genoot van elkaars schrik en vertelde macabere verhalen steeds weer opnieuw. De volgende verhalen heb ik onthouden, als er iemand uit de familie aanvullingen of verbeteringen heeft hoor ik het graag!

Zatte Pier

Een verhaal dat mijn vader vertelde. Onbekend wanneer, maar op een sombere ochtend liep zijn toen de jonge Catooke, die later zijn opoe zou zijn, over de Bosschdijk in Eindhoven. Het was erg slecht weer. Toen zij langs de begraafplaats kwam, verergerde de regen. Ze besloot in het knekelhuisje van het kerkhof te schuilen. Toen zij daar een tijdje in de

1904 ons moeder

Cato in 1904

beschutting stond te wachten tot de regen minder werd, kwam er iemand aangewankeld. Het was iemand die in Woensel bekend stond als Zatte Pier. Catooke was niet bang aangelegd. Ze verheugde zich erop om de dronkaard te laten schrikken. Ze bleef roerloos in de schaduwen staan. Zatte Pier nam bij het knekelhuisje beleefd zijn pet af en zei: “Goedemorgen, Ons Lief Heertje”. Catooke antwoordde op dezelfde toon: “Goedemorgen, Zatte Pier.” Zatte Pier schrok verschrikkelijk. Hij greep zijn pet, en rende weg zo hard hij kon.

Pet

Cato en haar man woonden in Woensel. Op een dag in de jaren twintig kreeg hun oudste dochter, de achttienjarige Anna, de opdracht iets uit het schuurtje halen, in de Lijmbeekstraat in Woensel. De avond was al gevallen en het was buiten aardedonker. In het schuurtje was geen verlichting. Anna durfde niet goed. Ze vroeg haar broer Jan om met haar mee te gaan. Jan liep stoer voorop, Anna er achteraan. In het schuurtje werden tegen de zoldering in liggende stand de bonenstaken bewaard. Jan was vrij groot. Toen hij binnenstapte werd door de bonenstaken de pet van zijn hoofd gelicht. Jan schrok er van – kennelijk was hij vergeten dat die bonenstaken daar lagen. Hij zei traag: “Anna, ze viete de klak van mijn hoofd.” (ze pakten de pet van mijn hoofd). Anna greep terstond haar rokken op en rende razendsnel terug naar het huis. Een verhaal wat telkens weer met veel leedvermaak door familieleden verteld werd. Ha, die bange Anna toch!

Soldaten

Toen Cato vele jaren later weduwe was geworden, besloot ze te hertrouwen. Haar nieuwe man Pier Moeskops woonde in een halfsteens huisje in de natuur in Bladel. Er was geen stromend water, water kwam uit de put. Pier had een varken en verbouwde zijn eigen groente. De Eindhovense kleinzonen van Cato vonden het een avontuur om er te komen. Het was aan het einde van de tweede wereldoorlog. Pier gaf de jongens een jampot om de coloradokevers te vangen, die in de aardappelplanten zaten. Langs het onverharde pad dat naar het huisje van Cato en Pier leidde stonden zes of zeven geweren, die met de bajonet in de grond staken. Op de kolf van de wapens bungelden helmen. Bij een ander bezoek aan van de kleinkinderen aan hun opoeke en haar man waren er mensen aan het graven op de plek waar de geweren hadden gestaan. Er werden botten uit de grond gehaald. Het waren de resten van Duitse militairen, die daar in de oorlog gesneuveld waren. De botten werden gespoeld bij de put, om ergens anders te worden herbegraven. De kleinkinderen stonden er met hun neus bovenop, ze vonden het razend spannend.

Paterkes

Rond diezelfde tijd groeide Jeanne, het nichtje van Cato op in Turnhout. Die vertelde aan een journaliste: “… wij gingen altijd in het Papenstraatje spelen. […] En papen, dat komt van de paters die daar ooit gewoond hebben. Wij slopen stiekem de kelder van de paterkes binnen. En weet je wat? Die zat vol schedels. Van paters die gestorven waren. En wij namen die dan mee naar huis.”

Knopje

Ook Grada, een andere dochter van Cato, hield van griezelen. Ze vertelde haar kleinkinderen spookverhalen over pastoors die door de schoorsteen stamelden: “Had ik u maar, had ik u maar”. Ze hield er ook van anderen te laten schrikken. Als haar zoon ’s avonds laat thuis kwam, en op de tast naar het lichtknopje zocht, stond zij bladstil in het donker en hield haar hand over het lichtknopje. Hij voelde dan niet het koude harde bakeliet van het knopje, maar het zachte warme vlees van haar hand. Schrikken! Dan had zij erg veel pret.

Merg

Ook de kleindochter van Cato – mijn tante – had macabere verhalen. Zij vertelde dat zij als kinderen graag naar de begraafplaats St. Jozef in Tivoli gingen om te griezelen. In het knekelhuisje stalen zij botjes, die probeerden ze dan te breken omdat ze het merg wilden vinden.

Waar komt dat genieten van griezelen vandaan? Hier is een leuke animatie die het uitlegt:
Why is being scared so fun? Margee Kerr

Cato zou het vast een mooi verhaal vinden dat ze twee keer begraven is… De foto bij dit artikel toont haar tweede graf, dat ze dertig jaar na haar overlijden kreeg.

***

Meer verhalen over mijn bijzondere familie lees je elders op deze site: het verhaal van zotte Jeanne, mijn opa de zonnekoning in de Arbeitseinsatz, Toos Mutsers met een leven voor Picus en natuurlijk Jan en Peerke van Brussel uit Zeelst, over wie je hier kunt lezen.

Bronnen: verschillende familieleden en de Gazet van Antwerpen 20/02/2009

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht