Bijzonder bezoek uit Frederiksoord

Dat de wereld groter was dan Meerveldhoven wist ik al. Want elk jaar zien wij de pelgrims aankomen en weer vertrekken. Wij wonen immers naast de kapel van Onze Lieve Vrouwe ter Eik. Sommige pelgrims komen zelfs uit Den Bosch, Antwerpen of Roermond. De eik in de kapel wordt met iedere bedevaart zwaarder en zwaarder, door de voorwerpen uit alle windstreken die de pelgrims aan de takken hangen: kruizen, penningen, sieraden, stukjes stof. Iedereen weet dat dat de beste manie is om de gunsten van de heilige maagd af te smeken. Maar dat de wereld écht groot moet zijn is pas goed tot mij doorgedrongen toen wij bijzonder familiebezoek kregen.

Mijn man Jan Louwers en ik wonen in de boerderij van mijn oom Andries. Jan heeft de boerderij van ome Andries overgenomen en ik heb ons oom verzorgd tot hij stierf, want hij had geen kinderen die voor hem konden zorgen. Hij overleed kort geleden, op 1 maart 1850. Zoals bij ons gebruikelijk hebben we direct na het overlijden een lantaarn met een gedoofd stompje kaars aan het huis gehangen en de luiken gesloten. Wekenlang droeg ik de zware rouwmantel. Pas toen de grasmaand aanbrak heb ik hem afgelegd, tot mijn opluchting, want hij was te warm voor het mooie lenteweer. Samen met ons Grietje gooiden we alle luiken van de boerderij weer open en hingen de gordijnen weer op. We zongen erbij. De afgelopen weken hadden we bijna op de tast moeten leven, maar nu knepen we in huis onze ogen dicht tegen het zonlicht. Zelfs de poes was tevreden. Hij zocht een door de zon verwarmd  plekje uit op de vloer om daar van de zon te genieten. Mijn naam is Henrica Schellens, maar iedereen kent mij als vrouw Louwers, landbouwerse in Meerveldhoven. Ik heb een flinke dochter van bijna vijf, Grietje, en een zoontje van twee dat Driek heet. Mijn kleinste heeft het jammer genoeg niet gered. Maar dat wist ik nog niet, toen wij het bezoek kregen.

Een buurjongen was die dag dat wij de luiken openden naar Jan komen rennen, dat er bezoek voor ons was aangekomen in herberg De Reizende Man. Jan was er natuurlijk direct naar toegegaan en had hem naar ons huis gebracht. Het bleek een neef van mij te zijn: Andries Biemans, het petekind van ome Andries, die dagenlang onderweg was geweest om naar Meerveldhoven te komen. Natuurlijk wisten wij al van ons moeder en ome Andries dat ze een broer hadden, die heel ver weg woonde met zijn gezin. Maar er werd niet veel over gepraat. Het was allemaal zo lang geleden! Ome Leonard was al vertrokken voordat ik geboren was. Zijn vrouw en kinderen hadden wij nooit ontmoet.. We zorgden natuurlijk voor een hartelijke ontvangst. Er kon natuurlijk geen sprake van zijn dat Andries in De Reizende Man zou verblijven. Toch kon ik het niet laten stiekem naar hem te gluren. Hij was jonger dan wij. Hij leek op ons. Maar hij zag er zo vreemd uit! Hij droeg bijvoorbeeld een geheel blauw tenue met schoenen, en een hoge hoed. En hij praatte ook zo gek. We moesten goed luisteren om hem te verstaan. Nadat hij ons allen begroet had met een ferme handdruk, zelfs ons Driekske, en ik hem een stuk brood met reuzel had gegeven en een mok koffie, wilde hij graag naar de kapel. Dat verbaasde ons niet. Iedereen die ons bezoekt wil altijd naar de kapel. Ook wilde hij het graf van ome Andries bezoeken. Terwijl ik redderde in en om het huis: aardappelen schillen, eten koken, kippen voeren, het bed voor onze gast in orde maken, ons Driek verschonen en dergelijke, gaf Jan hem een rondleiding over ons terrein. Naar de kapel, naar het graf van ome Andries, en naar onze velden. Toen nog even bij de stal langs, en langs het weefgetouw. Jan praatte mij ’s-avonds in de bedstee bij, fluisterend om onze kinderen en onze gast niet wakker te maken. Dat neef Andries erg ontroerd was door de boom in de kapel, omdat zijn vader daarover had verteld. Dat hij gebeden had bij het graf van ome Andries. Dat hij zo verbaasd was over het weefgetouw. Ze hebben daar kennelijk alleen een schuur met katoengetouwen, een weverij. Maar een eigen weefgetouw, dat heeft niemand blijkbaar, daar waar hij vandaan komt. Daar was ik verbaasd over. Want alle boeren hier hebben een eigen weefgetouw. Het is ons appeltje voor de dorst in moeilijke tijden.  

’s-Anderendaags nam Jan neef Andries mee naar notaris De Wit in Veldhoven. Want dat was de werkelijke reden van het bezoek: ome Andries had in een testament zijn broer en zijn petekind met honderd en vijftig gulden bedeeld. Neef Andries was gekomen om het bedrag te incasseren. Toen ze terugkwamen van de notaris had ik het middageten klaarstaan. Daarna kleedden ze zich om in hun werkkleding, want natuurlijk waren ze in hun zondagse goed naar de notaris geweest. Het stelde me gerust dat Andries ook gewoon een pet had, en klompen. Jan nam Andries mee het land op, want er moest gewerkt worden. Het stel extra handen van Andries was erg welkom. Een van de akkers moest nog geploegd, bij de andere akkers moest de rogge ingezaaid worden. En er moesten nog aardappelen gepoot. Normaal gesproken was dat mijn taak, maar mijn bolle buik zat zo erg in de weg dat ik daar nog niet ver mee was gekomen, en ons Grietje was nog geen grote hulp.  “Een harde werker is het niet,” fluisterde Jan ’s-avonds, “maar hij heeft zijn best gedaan.” Onze gast was om zeven uur al als een blok in slaap gevallen.

De volgende avond na weer een stevige werkdag zaten de mannen met een borreltje bij de haard. Neef Andries trakteerde. Nadat ik de kinderen had ingestopt, ging ik er bij zitten. Natuurlijk wel met iets om handen, er was immers altijd wel wat te doen. Ik nam mijn breiwerk op, om nog gauw een dekentje voor mijn toekomstige kind te breien. Andries maakte grapjes over zijn werkvakantie. Die had hij niet verwacht. Hij zei eerlijk dat hij dat niet gewend was, hard werken. Mijn Jan zei: “Om niet te verhongeren móet je toch wel hard werken? Hier zijn er echt mensen kapot gegaan van de honger. En de kou. Nog niet eens zo lang geleden. Voor geen geld wil ik dat meemaken. Daarom zijn we altijd bezig. Is dat waar jij vandaan komt niet zo?” Neef Andries begon te vertellen. Dat ze ooit wel “een beetje” (wij zeggen “ ‘n bietje”) honger hadden gehad, maar dat was al lang geleden. Ze leefden in het besef dat ze altijd hulp konden krijgen. Want waar zij woonden was er toezicht, zo noemde hij dat. Als ze iets nodig hadden, eten, zaaigoed, kleding, brandstof, zorg… konden ze erom vragen bij de wijkmeester. Als hun oogst mislukte kregen ze toch wel eten. “Dus hard werken hoeven we niet, er wordt toch wel voor ons gezorgd. En wij hebben ook nog eens goed onderwijs gehad,” lachte Andries.

Het leek ons te mooi om waar te zijn. Ik zei: “Maar Andries, waarom krijg je dat allemaal zomaar? Niets gaat ooit voor niets. Wat willen ze van jullie?”  En Jan zei: “Is het om jullie van je geloof te laten gaan? Het zijn toch allemaal protestanten daar?” Andries vertelde dat ze gewoon naar de katholieke kerk gingen, al was die wel wat verder weg. Hij begon uit te leggen dat dat Frederiksoord waar ze woonden gesticht was om arme mensen uit heel Nederland te helpen. Dat ome Leonard met zijn gezin uit Gorkum was gekomen als een van de eerste bewoners. Neef Andries was het jongste kind, want ome Leonard had er vier, en zijn vrouw had nog drie jongens uit een eerste huwelijk. Eentje was in Gorkum achtergebleven. Neef Andries was toen ze in Frederiksoord aankwamen, in 1818, nog geen twee jaar oud. Een groep welgedane mensen in Gorkum, Andries noemde dat “de subcommmissie”, had het voor hen geregeld, en ome Leonard wilde het ook graag: verhuizen naar Drenthe. Want in Frederiksoord kreeg hij een nieuw huis en een stuk land. Dat was meer dan wat hij had in Gorkum. Ome Leonard had een breuk die hem erg hinderde bij alles wat hij deed. De subcommissie wist van de breuk, maar niet dat hij daar zo’n last van had. Want dan had hij met zijn gezin in Gorkum moeten blijven, in het lekkende krot dat amper een huis kon worden genoemd, niet wetende of hij zijn kinderen de volgende dag te eten kon geven. Toen ze eenmaal in Frederiksoord waren, hoorden ze pas dat alles wat hen verstrekt werd, als lening gegeven werd. Van huis tot kleding tot zaaigoed en landbouwgereedschappen. Van aflossen kwam niet veel, want ome Leonard kon niet bukken en zijn zonen hadden geen ervaring met landarbeid. Bovendien was de grond weerbarstig. De eerste jaren had het gezin in de vrees geleefd dat ze weer weggestuurd zouden worden. Maar toen merkten ze dat alleen mensen die de regels openlijk overtraden weggestuurd werden. En juist doordat ze hun schulden niet konden aflossen, stelden ze hun verblijf in Frederiksoord veilig. Ze konden immers nergens heen zonder een kapitaaltje. Ze hadden als gezin beseft dat ze net zo goed met zo min mogelijke inspanning maximaal profijt konden proberen te halen. Andries keek er triomfantelijk bij. “En die schulden dan?” vroeg Jan. “Wie dan leeft, die dan zorgt,” lacht Andries.

Het klonk aanlokkelijk, zo’n zorgeloos leven. Waarbij je naar een dokter kon als je ziek was en op zon- en feestdagen wittebrood at. Waarbij de kinderen goed leerden lezen en schrijven. Maar die schulden…. “En, wat verbouw je daar zoal?” vraagt Jan. Andries vertelde dat dat van het bestuur afhangt, die bepaalde wat er aan poot- en zaaigoed ingeslagen wordt. “En wat doen jullie als je niet hoeft te werken?” vraag ik. Hij vertelde dat er een gemeenschapshuis was waar ze konden dansen en feestvieren. Katholieken en protestanten samen. Dat was voor ons ook bijzonder, want hier heb je helemaal geen protestanten. En dat het bestuur jaarlijks prijzen uitreikte voor de bewoners (“kolonisten” noemde hij die) die dat jaar uit hebben geblonken in vlijt of in gehoorzaamheid. “Gehoorzaamheid?” riepen Jan en ik tegelijk. Ja, als ze zich onderdanig en beleefd gedragen hadden maakten ze kans daar een prijs mee te verdienen. “En wat gebeurt er als je ongehoorzaam bent?” vroeg ik. “Dan kan je een publiekelijk pak slaag krijgen, of een paar dagen opgesloten worden. Maar als je het echt heel bont maakt word je uit de kolonie gezet, of zelfs naar een strafkolonie overgebracht,” vertelde Andries. “Maar dat zal ons niet snel gebeuren, hoor. Wij weten hoe we ons moeten gedragen. We zoeken geen ruzie, vragen altijd toestemming als we ergens heen gaan, we kopen nooit spullen buiten de kolonie, houden onszelf en ons huis redelijk schoon. We klagen niet, we weten op welke toon we een verzoek moeten indienen en we tonen ons altijd dankbaar.”

Jan en ik praatten er in bed nog lang over door. “Ik weet het niet hoor, die mensen ontbreekt het dan wel aan niets, maar ze hebben ook geen vrijheid. Het zijn marionetten,” zei ik. Ik denk terug aan de laatste kermis in Zeelst, waar een poppenspeler was. In gedachten zie ik neef Andries aan de draadjes hangen. “Wij kunnen tenminste zelf kiezen welke gewassen wij verbouwen en tegen wie wij beleefd willen zijn. En wij kunnen hopen op een goede oogst, zonder dat wij die hoeven afgeven. Ze hebben geen eer daar. Een beetje de kantjes eraf lopen en het de bazen naar de mond praten…” Jan zei: “Zo hard moet je daar niet over oordelen. Hier moeten er ook heel wat mensen schooien, in hongerperiodes, of als er een lange winter is. Alleen dan gebeurt dat hier bij familie, bij het armbestuur of de gemeente. En als ze al wat krijgen, moeten ze óók de gever naar de mond praten. En dan nog weten ze niet hoelang ze ermee toekunnen. Misschien moeten ze de volgende dag wéér op bedeltocht. Je ome Leonard had het niet slecht bekeken. Trots kun je niet eten, brood wel.”

Ik verheugde mij op nog een avond praten met neef Andries. Want ik wilde nog veel meer weten over het leven in de verte! Wat de vrouwen voor kleren droegen, en wat die protestanten voor mensen waren, hoe het op school was en welke dieren je daar zag, bijvoorbeeld. Maar de volgende dag diende zich plotseling mijn bevalling aan. Een paar dagen lang leefde ik in de bedstee, in beslag genomen door mijn eigen ellende. Mijn zus Cornelia kwam om mijn taken over te nemen en mij bij te staan. Het werd een zware bevalling. Toen de kleine Johanna eindelijk geboren was, wist ik meteen dat het niet goed met haar ging. Ze was te klein, te stil en te paars. In plaats van een ferme schreeuw te geven, zoals ons Driek had gedaan, rochelde ze alleen een beetje. Ik was zelf ook meer dood dan levend. Het drong nauwelijks tot mij door dat mijn zus de kleine van mij af nam. Toen ze het even later weer bij mij legde zei ze: “Ze is tenminste nog gedoopt, ze gaat naar de hemel.” Ze was stervende, mijn kleine Johanna. Jan heeft haar laten begraven naast ons moeder. Nu ik weer bij mijn positieven ben gekomen, vertelt Jan mij zonet dat neef Andries al dagen geleden weer vertrokken was. Naar dat verre Frederiksoord. Jammer… Hij heeft mij een inkijkje in een andere wereld gegeven, dat ik nooit zal vergeten.

***

De personen in dit verhaal hebben echt bestaan. Het is niet bekend of neef Andries werkelijk naar Meerveldhoven gereisd is om de erfenis in ontvangst te nemen, maar áls hij dat gedaan heeft, zou het zo gegaan zou kunnen zijn. Met dank aan Henk Blum, die mij attendeerde op zijn voorouder Leonardus Biemans, Will Schackmann,die over de familie Biemans schreef in De Proefkolonie (2006 uitgeverij AtlasContact) en mij van aanvullende informatie over de Biemansjes voorzag, en René van Dijk van het Regionaal Archief Gorinchem, die mij kon vertellen hoe het Andries Biemans en zijn gezin (dat hij het jaar na deze erfenis zou stichten) is vergaan na hun vertrek uit Frederiksoord in 1869. Zie ook: allekolonisten.nl

Wil je meer lezen over bedevaarten, lees dan bijvoorbeeld het verhaal over Barbara Aardappel Niemendal.

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht