De handel en wandel van Agnes Matray

De generale dievenjacht van de Neder Betuwe in januari 1804 was weer productief geweest. Zo waren er bij Ochten twee vreemde vrouwen aangehouden. De ene heette Marie le Clercq, 26 jaar, uit Herstal bij Luik. De andere, waarover dit artikel gaat, heette volgens het gerechtshof Maria Angenis Marteret, 25, eveneens geboren in Herstal. Zij was gedoopt op 24 december 1777 als Marie Agnes Matray. Roepnaam: Agnes. Ze had bij haar arrestatie een kind van bijna een jaar bij zich. Ze gaf bij de verhoren de gerechtsdienaren, en ons, een bijzonder inkijkje in haar leven.

Welgemaakt en vlug ter been

Agnes zal een aantrekkelijke verschijning zijn geweest. Haar signalement is zelfs levendiger dan een pasfoto. Ze werd beschreven als: ongeveer vijfentwintig jaar oud, middelmatig van postuur, redelijk gezet, niet zwaar van boezem, doch zogende. Verder had ze donkerbruin haar en wenkbrauwen, die echter niet zwaar waren, en donkerblauwe ogen. Ze was blank van vel en een weinig blozend, maar wat pokdalig en langwerpig van tronie. Ze sprak heel goed Hollands, maar wel op een vlijende toon. Alleen bij het afbreken van de woorden, als ze haastig sprak, was er een Vlaamse tongval te horen. Verder was ze welgemaakt en vlug ter been. Ze was keurig én kleurig gekleed: ze droeg een katoenen jakje met kleine rode bloemetjes of besjes, een grote Brabantse doek om de hals, wit van ondergrond met groene sterren, met een brede rand met groene en blauwe bloemen en vlammen. Haar bovenrokken waren rood en blauw, van gestreepte munnikenbaai (= molton), of het soort van woldoek dat zij zelf miselane noemde. Ze droeg blauwe kousen en klompen aan de voeten.

In de rok genaaid

Bij haar aanhouding in Gelderland werd ze grondig gefouilleerd. De cipiers troffen in haar rokken muntgeld aan, dat ze in een zak en in de plooien van haar rokken had genaaid, ter waarde van ongeveer zeven gulden. Natuurlijk vonden ze dat heel verdacht. Ze verklaarde dat ze dat geld gespaard had. En daar had ze genoeg voor gelopen met haar kinderen, zei ze. Ze zei dat ze het geld zo verborg omdat ze het hier of daar in de slaapsteden niet wilde verliezen. “… omdat ik overal bij de boeren kom slapen, en ik bevreesd ben mijn jak hier of daar te laten liggen. En ik weet ook niet in welk gezelschap ik me soms bevind. Het geld in de rok genaaid is best bewaard”, verklaarde ze. Een andere vrouw in de gevangenis klikte tegen de cipiers dat Agnes nog meer geld in haar kleding verborg.

Ze werd nog eens onderzocht, en inderdaad trof de cipier in de borstrok, onder een opgezette lap tussen het buitenste van de borstrok en de voering een Zeeuwse rijksdaalder, die in fijne lapjes was gewonden en stijf in de borstrok was genaaid. Op een andere plaats in de borstrok werd nog zo’n ingepakte en verstopte munt gevonden. Agnes zei, zodra de tweede visitatie begon, dat die vrouw haar wel beklapt zou hebben, maar dat ze kon verklaren hoe ze aan het geld was gekomen. Ze zei dat ze het geld met bedelen gespaard had, en dat ze het geld in haar borstrok niet genoemd had omdat ze bang was het niet terug te krijgen, als ze het moest afgeven. Geen ongegronde angst, want de cipiers raakten toevallig een beetje de tel kwijt bij het inventariseren van de gevonden muntstukken. “De comparanten weten nu niet precies hoe veel zesthalven er waren…” schreven ze op. Tuurlijk. De gelegenheid maakt de dief, zullen we maar zeggen.

Een inbraak in een herbergske

Agnes komt gelaten over bij de verhoren, kalm. Oprecht ook. Is dat omdat ze niets te verbergen heeft, of omdat ze al voor hetere vuren heeft gestaan? Het was in elk geval niet de eerste keer dat ze in aanraking met justitie kwam. In oktober 1792 werd Agnes als tiener aangehouden in Tilburg. Een dag eerder was er in Hilvarenbeek een inbraak geweest in het “herbergske” van Johannes Jan Jansen. Er was een gat gemaakt naast de drempel van de voordeur, waardoor er iemand naar binnen was gekropen. Uit een kast waren vele kledingstukken, geld en sieraden gestolen. Ook was er een stuk van het spek dat aan de zolder hing afgesneden. Het gat bij de deur was opgevuld met wol of linnengoed, toen Johannes Jan Jansen en zijn vrouw het opmerkten. Ze hadden zo vast geslapen, dat ze van de hele inbraak niets gemerkt hadden, terwijl de kast toch naast hun bedstede stond.

Kort na de ontdekking van de inbraak trof men de verdachten aan in een boerenschuur, niet ver van Hilvarenbeek. Het ging om twee mannen, een vrouw en twee kleine kinderen. Agnes werd in verband gebracht met dit gezelschap. En inderdaad: de vrouw was haar stiefmoeder, die ene man die direct gevlucht was, was haar vader. Twee jaar lang werden Agnes, haar stiefmoeder en haar stiefzusjes in Tilburg vastgehouden terwijl het strafrechtelijk onderzoek naar de stiefmoeder liep. Agnes bleef al die tijd volgehouden dat ze niets wist van die inbraak. Ze wist alleen te vertellen dat ze enkele dagen daarvoor met haar stiefmoeder en -zusjes van Oers (Oerle) via Bladel naar Goirle gekomen was. In Tilburg waren ze uit elkaar gegaan. Daarom had zij niets meegekregen over wat er in Hilvarenbeek gebeurd was.

Vogelvrij of leven als een mol

Vader met kind, Christina Chalon, 1758-1808. Rijksmuseum

Wat maakte dat Matthieu Matray het welzijn van zijn gezin op spel zette voor een ambulant leven zonder bestaanszekerheid? Een tipje van de sluier wordt opgelicht via het doopboek van Herstal. Marie Agnes was de oudste dochter van Matthieu Matray en Anne Libert. Ze werd gedoopt op kerstavond in het jaar 1777. De peter en meter waren haar vaders ouders: Michel Matray en Agnes Hurnay. Tot zover lijkt het dat de kleine Agnes een kind was dat meer dan welkom was, binnen een huwelijk geboren, met opa en oma die paraat stonden om haar te koesteren. Maar bijna een jaar na de geboorte van Agnes stierf haar grootvader Michel. En niet van ouderdom, nee. Er vond een mijnramp plaats in Herstal. De mijnschacht fosse Crompire liep plotseling vol met water. Zesentwintig mannen verdronken. Een van de namen op de lijst met slachtoffers: Michel Matray, echtgenoot van Agnes Hurnay.

Kortom, het leven van mijnwerker was gevaarlijk en niet eens zo lucratief. Bovendien zal de mijn langere tijd buiten gebruik zijn geweest, wat minder werkgelegenheid als mijnwerker betekende. Matthieu moet een afweging gemaakt hebben. Blijven in Herstal: een monotoon bestaan als dagloner of mijnwerker, leven als een mol onder de grond en de garantie dat je je gezin maar nét in leven kan houden, of een bestaan als reizend speelman, bedelaar, “klusjesman” boven de grond. Met grote winstmogelijkheden, maar ook enorme risico’s: de tortuur en de galg. Hij koos voor het laatste. Een afweging die net wat makkelijker werd doordat hij al een deugniet was, en zelfs al voor zijn trouwen in de omgeving van Luik en Maastricht op het boevenpad was gegaan. De grond werd hem ook een beetje te heet onder de voeten.

De boze stiefmoeder

In Herstal werd twee jaar na Agnes nog een zusje geboren, Marie Jeanne. Maar vanaf haar zesde nam Matthieu zijn gezin mee. Ze liepen, vader Matthieu, moeder Anne en de meisjes, vanuit Luik, via het Limburgse naar Brabant. Matthieu Matray speelde op een viool, ongehinderd door enige klassieke scholing. Bedelarij zorgde voor de andere inkomsten. Hier en daar een diefstalletje. De kinderen leerden al jong om te schooien. In Blaarthem kreeg Agnes nog een zusje, maar die redde het niet. Vervolgens stierf haar moeder in een gasthuis. Agnes was nog geen tien jaar oud. Toen kwam er een nieuwe persoon in haar leven: Nannes Rosier, die haar stiefmoeder zou worden. Zij werd door Agnes beschreven als een lange, magere zwarte vrouw. Nannes Rosier had al een tijd met een andere boef uit Herstal gelopen en diefstallen gepleegd. Maar deze Jacques zat sinds 1786 in Brussel in hechtenis “vanwege begane dieverijen en huisbraken”. Nannes had een andere beschermer nodig, en Matthieu had iemand nodig die voor zijn kinderen zorgde. Het was voor beiden een win-win situatie om bij elkaar te blijven. Voor de twee dochtertjes van Matthieu was het leven met de stiefmoeder moeilijk. Agnes vertelde dat Nannes Rosier heel hard was tegen haar voorkinderen; “ze wilde altijd dat de kinderen huilden, en sloeg ze als ze niet genoeg naar huis brachten”. Zusje Marie Jeanne was pas negen jaar oud toen ze “uit vrees voor slaag” weggegaan was, toen ze in Gorinchem waren. Haar lot is onbekend.

Huis?

Wacht, zei Agnes daar: “naar huis”? Of tekende de griffier dat zo op als uitdrukking? Want ze vertelde ook dat ze met haar stiefmoeder achter een haag sliep. En uit haar bekentenissen, en die van andere reizigers, blijkt dat schuren bij herbergen of bij boeren vaak als tijdelijk huis dienden. Met veel geluk en spaarzaamheid kon er soms ergens in een huis van laag allooi een eigen bedstede gehuurd kon worden, maar het begrip “thuis” betekende voor de jonge Agnes waarschijnlijk vooral “familie”, al was dat een boze stiefmoeder.

Moederziel alleen… of toch niet?

Na twee jaar in voorarrest te hebben gezeten vanwege die inbraak in Hilvarenbeek werd Agnes met haar oudste halfzusje op een kar naar Maastricht gebracht, en “over de grens” gezet. Haar stiefmoeder zag ze nooit meer terug. Ze hoorde pas jaren later, toen ze in Tilburg op de kermis was, dat Nannes Rosier in Utrecht in het spinhuis zat. Ze bleek wegens haar vagebonderende leefstijl en medeplichtigheid aan huisbraak en diefstal veroordeeld te zijn tot een “strenge” geseling (je had namelijk ook een “gewone” geseling) en een vijfentwintigjarige tuchthuisstraf. Haar jongste halfzusje werd besteed in Tilburg, de oudere werd samen met Agnes uitgezet. Ze vertelt niet wat er gebeurde met dit halfzusje, nadat ze samen in Maastricht werden gedropt. Agnes zelf liep van Maastricht door naar Herstal, haar geboortedorp. Maar, zei ze, ze bleef daar niet en sprak daar met niemand. Tijdens de verhoren werd haar gezegd dat dit wel erg onwaarschijnlijk klonk. Je gaat naar je geboortedorp, maar je spreekt met niemand, en zoekt ook je familie niet op? Nee, zei ze, ze wist niet hoe haar familie heette, en haar moeder had geen broers of zussen gehad. En “ze was ook zo wijs niet geweest”.

Dit mogen we gerust met een korreltje zout nemen. Haar moeder had inderdaad geen zussen of broers, maar haar vader wel. Maar hij, en diverse familieleden aan vaders kant stonden te boek als “zeer suspect”. Agnes had er geen belang bij om de gerechtsdienaren te vertellen over haar contacten met haar vader, of met haar tantes Françoise en Marie Jeanne Matray en hun mannen Louis Ponsart en Didik Henrard, of met andere vagebonden. Wat ze wél zei tijdens de verhoren is dat ze gehoord had dat een broer van haar vader, Pierre, op zee zat. Dat was een feit waardoor niemand in de problemen kon komen, en waardoor het leek alsof ze waarachtig haar hersens pijnigde op informatie over haar familie.

Naar eigen zeggen dus reisde ze bijna een jaar lang helemaal alleen en zonder een stom woord te zeggen in het land van Luik. Toen ging ze terug naar Herstal om er een pas te halen, want een oude vrouw (het waren altijd oude vrouwen die haar pad kruisten, in haar versie van de werkelijkheid) had haar onderweg verteld dat je een pas moest halen om overal vrij te gaan. Uit dit soort details blijkt hoe sociaal vaardig ze was en hoe goed ze op de hoogte werd gehouden. Wie zelf een migrantenbestaan gehad heeft weet hoe intensief de uitwisseling van nieuws over gebeurtenissen en personen kan zijn onderweg. Ze had het zelf over “een menigte mensen die in Brabant rondliep om te schooien”. Maar in tegenstelling tot wat ze deed voorkomen bevond zij zichzelf daar middenin, en het noemen van haar naam en haar herkomstplaats zal haar paspoort zijn geweest in de wereld van deze vagebonden uit het land van Luik.

Handel en wandel

Boer en boerin uit Noord-Brabant, Ludwig Gottlieb Portman, naar Quirinus van Amelsfoort, 1807. Rijksmuseum

Lopend van Herstal via Tilburg kwam Agnes in Den Bosch terecht. Tot dan toe had ze de kost verdiend met “niets anders dan schooien”. Het was in Den Bosch, in herberg De Gouden Engel, dat ze verkering kreeg met een jongeman die Doris Soons heette. Hij was een kleermaker van beroep, en hij woonde daar, omdat zijn zwager Hendrik Stam de uitbater van het etablissement was. Het was gelegen in de Tolbrugstraat, een levendige straat bevolkt door soldaten, hoeren, handelaars en herbergen. We zouden Agnes een lang en gelukkig leven gunnen aan de zijde van deze kleermaker. Maar helaas. Ze had een jaar of vier verkering met hem. Maar hij had haar niets te bieden, zelfs haar eigen verteringen moest ze zelf betalen. Omdat ze niet wilde weten dat ze bedelde, zoals ze zei, kocht ze dan steeds voor ongeveer acht gulden spelden en naalden om te verkopen. Als ze met dat handeltje iets verdiend had ging ze terug naar Den Bosch en kon ze tijd met Doris doorbrengen. Ik krijg bijna de indruk dat ze hém moest onderhouden. Behalve spelden en naalden, die ze bij Rumposen en Koppers kocht in Den Bosch, kocht ze in Nijmegen koopwaar in; Roomse prentjes en gebeden- en kerkboekjes, om die langs de deuren te verkopen.

Wat Doris Soons haar wel gaf, behalve aandacht, waren twee zwangerschappen. Maar Agnes moest blijven lopen, zoals zij het bedelen en venten noemde, om het hoofd boven water te houden. Het oudste zoontje werd in de Mars in Lienden geboren in het voorjaar van het jaar 1800. Ze noemde hem Matthieu, naar haar vader. De tweede werd in Overlangel geboren en in Herpen gedoopt, op 16 februari 1803. Dat was Hendrik. Ze had Doris die laatste zwangerschap helemaal niet meer gezien. De laatste keer dat ze met hem samen was geweest, was rond Pinksteren in 1802. Hij had hij haar toen naar Hedel gebracht. Soms deed hij dat, zei ze, dat hij haar uitgeleide deed en een half uur of uur met haar opliep. Maar daarna was ze niet meer naar hem teruggegaan. Omdat ze niet genoeg geld ophaalde om te besteden, zoals ze zei. Dat werd natuurlijk ook lastiger, nu ze ook de zorg voor haar zoontjes had. Bij de verhoren werd aan haar gevraagd: waarom heb je hem niet geconfronteerd met de kinderen? Waarom trouwde hij niet met jou? Ze zei dat hij haar toch niet trouwen wilde. Bovendien dacht ze dat hij haar toch zou bedriegen als zij weer op reis ging. Want dat ze zou moeten blijven reizen om te overleven stond voor haar als een paal boven water. En dat ze niet op hem kon vertrouwen ook.

Wordt vervolgd…

Dit is een eerste schets van een van de dochters van het Waalse landlopersnetwerk. More to come!

Voornaamste bron: het criminele procesdossier van 1804, 0124 Hof van Gelre en Zutphen, 4733, Gelders Archief. En verder de voorkennis uit andere archiefstukken

Omslag: Klederdracht van Noord-Brabant, 1857, Jan Braet von Uberfeldt, 1857, Rijksmuseum

Misschien ook interessant...?

One thought on “De handel en wandel van Agnes Matray

  1. Jos Wassink

    maart 13, 2022 at 8:38pm

    Heel interessant te zien hoe op detailniveau het leven van een vrouw die in het criminele circuit verkeerde eruitzag. Duidelijk is dat vrouwen creatieve overlevingsstrategieën konden hebben.

    • Auteur

      Marita

      maart 13, 2022 at 8:43pm

      Ja, vind ik ook. Ik had nooit verwacht dat je via archiefstukken zo’n helder beeld kan krijgen van iemand die zelf geen letter op papier kon zetten.

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht