Een zonnekoning in de Arbeitseinsatz, deel 2: de dagindeling in Duitsland

De Arbeitseinsatz was voor veel Nederlandse mannen een traumatische ervaring. Voor mijn eigen grootvader niet. Hij was exact een half jaar in Duitsland, van juni tot december 1943. Bijna zodra de trein vanuit Eindhoven vertrok begon hij brieven te schrijven aan mijn grootmoeder, steeds met tussenpozen van ongeveer twee dagen. En zij bewaarde alles. Door het verhaal van Sjef te vertellen wil ik absoluut niet de ervaringen van anderen bagatelliseren. Maar zijn verhaal is volgens mij echt uniek te noemen. Ik zal het merendeels in zijn eigen woorden vertellen, zoals hij het naar zijn vrouw Grada schreef.

Deel 2: de dagindeling

Werkdagen

Elke doordeweekse ochtend in Mainz – als hij tenminste niet in de ongevallenwet zat – stond Sjef om kwart over vijf op. Hij at dan op zijn kamer het ontbijt dat zijn schoonzus Nel voor hem had voorbereid en kleedde zich aan. Hij droeg dan een net pak met overhemd, een stropdas en een losse boord. Hij trok zijn sokken met sokophouders en doordeweekse nette schoenen aan en knoopte zijn poetjes, – slobkousen – dicht. Zijn lunchpakket ging in de aktentas die hij, vond hij zelf, altijd bij zich moest dragen. Toen het kouder werd droeg hij ook een overjas en handschoenen. Die handschoenen had hij nodig omdat hij immers zijn handen niet alle twee in zijn zakken kon steken, vanwege die aktentas. In de herfst kwam daar nog de knijpdynamo bij. Want om naar de trein te gaan moest hij een heel eind lopen, er waren geen lantaarns en veel straten in Hechtsheim waren onverhard. Als het geregend had was het niets als modder. Om tien voor zes ging hij dan de deur uit voor de tram naar Mainz en de trein naar Gustavsburg. Bij de M.A.N.-fabriek aangekomen verwisselde hij van schoenen, de boord ging af en hij trok een overall aan. Hij werkte vervolgens vanaf zeven uur, met alleen drie kwartier schaft van 12 tot kwart voor 1. Tijdens de schaft werd de maaltijd die zijn schoonzus Nel de avond van te voren had klaargemaakt voor hem opgewarmd. Vaak deed hij na het eten een kort dutje. Daarna werkte hij weer tot zes uur. Hij kleedde zich weer om, en ging weer keurig gekleed, maar met vuile handen, weer met de vaak vertraagde trein van Gustavsburg naar Mainz en dan weer met de tram van Mainz naar Hechtsheim. Op zijn vroegst na zevenen was hij dan bij Nel. Daar at hij en genoot van de vertrouwde Brabantse gezelligheid. Zijn zwager Hans had een longziekte en daarom arbeidsongeschikt. Hij hield zich vooral bezig met boodschappen doen en de konijnen die hij fokte verzorgen. Verder sliep hij veel. Na het eten ouwehoerden ze wat, roddelden over familieleden en kennissen, of ze jokerden en schreven brieven naar familieleden. Tegen tien uur liep Sjef dan naar de slaapkamer die hij huurde, twee minuten verderop, met het door Nel klaargemaakte voorverpakte ontbijt en een lunchpakket voor de volgende dag op zak. Sjef had door zijn afwijkende vorm van huisvesting weinig contact met de Hollanders die in het Lager lagen, hij zag ze nooit, behalve soms kort voor ze begonnen te werken. Met de schaft zat hij altijd alleen, want die Hollanders gingen in het Lager eten, die kwamen nooit in het schaftlokaal. Hij zat dan helemaal alleen tussen Duitsers.

De weekeinden

Op zaterdag werd er alleen ’s ochtends gewerkt, tot een uur. Daarna ging Sjef recht uit de fabriek naar de stad om naar het badhuis te gaan. Daar kreeg je dan een kaartje voor 70 Pfennig met een nummer er op, tot je aan de beurt bent en tot ze dat afroepen. De vermoeidheid van het zware werk en het warme weer eisten in juli hun tol bij Sjef. Op zo’n zaterdag, schreef hij, had hij nummer 141 en er waren toen maar twee man voor hem, dus hij hoefde niet zo lang te wachten. Maar hij zat nog niet op de stoel of hij sliep al en hij schrok pas wakker toen ze 146 afriepen. Dus hij als de bliksem erbij en in het bad… Door het baden was het meestal pas vier uur als hij ’s zaterdags thuiskwam. Op zondag sliep Sjef uit, daarna ging hij gewoonlijk naar de kerk, en bracht de middag door met Nel en Hans, of wandelde wat door de stad. Maar steeds vaker moest hij ook op zondagen werken, van zes tot een uur. Schuldbewust meldde hij na de eerste keer aan Grada dat hij daardoor niet naar de kerk had kunnen gaan. Aangezien er zo vroeg geen openbaar vervoer was kon hij pas beginnen om half acht. Hij baalde verschrikkelijk, niet alleen vanwege de uren die zouden ontbreken op zijn salarisstrookje, maar vooral omdat hij zich de hele week al had verheugd om op zondag uit te slapen, Grada wist wel hoe graag hij sliep. Het voordeel van het werken op zondag was dat hij extra uren maakte. Op zondagmiddag trokken Nel en Sjef er ook wel eens op uit in de omgeving van Mainz. Ze maakten uitstapjes met de tram en maakten mooie wandelingen, bijvoorbeeld naar Budenheim. In de zomer was het er prachtig, het landschap was weelderig met veel fruitbomen. Sjef genoot ervan: “niets als kroezelsvelden tot aan de Rijn”. Elke zaterdag en zondag bakte Nel vruchtenvlaaien. Sjef smulde ervan. Ze waren zo groot als een halve tafel, met fijne heerlijke witte bloem, niet zoals die taarten uit de winkel in Eindhoven, die grijs waren. Dat Nel zulke heerlijke vlaaien kon bakken, kwam omdat zij veel erop uit trok om tarwe te lezen. Haar garderobekast stond vol met bloem, ze hoopte maar dat er geen bom op zou vallen voor de kast leeg was. Venijnig schreef ze aan Grada: “Om je op je brieven te antwoorden, wat je schreef: dat wij van die tarwe die wij gelezen hebben af moesten leveren, [dat] is echt Hollands, daar weten ze altijd iets te kletsen. Dan deden de mensen het toch zeker niet.” Of het door de taarten kwam of niet, maar na twee weken Mainz barstte Sjef van de kiespijn. Zijn wang was zo dik dat je niet meer zou geloven dat hij het was. ’s Morgens was het zo dik dat hij zijn oog niet kon openen, hij had nog nooit zo’n dikke wang gezien. Gelukkig nam de pijn en de zwelling na een dag of tien weer af. Een enkele keer werd er een echt uitje gemaakt. Op een zondag in augustus reisden Nel en Sjef naar Frankfurt, waar ze zwager Piet zouden uitzwaaien. Ze maakten er een mooie dag van. De dierentuin van Frankfurt “die was prachtig, lieveling. Daar hebben ze duizend dieren, dus dat is nogal wat. Maar het meest hebben wij gelachen bij de apen, want die halen van alle kunsten uit […] Dan waren er leeuwen, tijgers, olifanten, kamelen en al die dieren meer, te veel om op te noemen.” In de middag gingen ze naar de Palmgarten. “Die is wonderbaar. Daar zie je palmen, veel groter als bij ons de grootste boom en zelfs bananenbomen met bananen er aan. Dat is allemaal onder glas, ook die grote bomen. Dan had je nog allerlei soort planten van alle werelddelen van Afrika, Indië, Amerika en alle landen die je maar op kunt noemen. Nou, schat, dat was gewoon prachtig. Wij hebben daar twee uur rondgelopen en toen hadden wij hem nog niet een vierde part gezien.” Ook van de stad Frankfurt was Sjef erg onder de indruk, met niets als hoge huizen en grote winkels. Daar mee vergeleken was Antwerpen maar een gehuchtje, schreef hij aan Grada. Hij hoopte dat ze na er de oorlog samen eens naar toe konden reizen. Schuldbewust gaf hij toe dat de reis wel iets gekost had. Alleen al de reis was vijf Mark geweest, en dan nog de entreegelden. Maar ja, het was dan ook de eerste keer dat hij uit was geweest sinds hij in Duitsland was. Verder ging hij hooguit een enkele keer met Nel en Hans naar de bioscoop. Maar in oktober bezocht hij op een zondagmiddag met twee Eindhovense kameraden een variété. “Dat is een groot café en op het podium komen dan ‘ns een danseres, dan een zangeres en ook een acrobatiste. Nou, lieveling, dat was heel aardig. Daar heb ik nog eens blote billen gezien!”

Eten in de fabriek

Toen Hans en Nel op vakantie naar Tirol gingen, gingen veranderde Sjef zijn dagritme tijdelijk. Nu zou hij twee weken lang het eten van de fabriek gaan eten, want als hij zelf zou koken na het werk zou hij wel tot elf uur bezig zijn, dacht hij. Het eten op de fabriek zou hem voor tussen de middag 1 Mark 80 kosten, maar hij hoopte er ook ’s avonds en misschien ’s morgens te kunnen eten, in elk geval brood. Als dat kon, zou het in totaal 3 Mark 60 kosten, plus de bonnen. Het eten in de fabriek viel Sjef uiteindelijk erg mee. Hij kreeg ander eten als zijn lotgenoten in het Lager, want er aten vooral Duitsers in de schafkantine, vertelde hij. Het menu tussen de middag op de eerste dag was soep (“nou, dat was niet veel, hoor, net water”), aardappelen met fijne saus en een flink lapje vlees en een stuk meloen (“nou, die lust ik niet, maar die aardappels met saus smaakten heerlijk”). ’s Avonds alleen aardappelen met spinazie. De volgende dag was het ’s middags soep, daarna droge aardappels met witte kool, ’s avonds een bord aardappels met saus en vlees, en een stuk meloen (“nou, dat smaakte weer heel goed, op die meloen na”). Alles bij elkaar vond hij het zo slecht nog niet.

Lees hier deel 1 en deel 3 van Sjef’s tijd in Duitsland.
De omslagposter is afkomstig van Het Verzetsmuseum.

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht