Het geluk van Giersbergen

1882. Een slaapzaal voor vrouwen van de tweede klasse in het krankzinnigengesticht Coudewater. Er staan vier bedden. Drie ervan zijn leeg; hun beslaapsters zijn momenteel in de verblijfzaal. In het overgebleven bed ligt een

vrouw. Het gezicht steekt geelachtig af tegen haar witte muts. Haar voorhoofd is in de breedte gerimpeld, haar wangen zijn ingevallen. Ze staart naar het dakraam boven haar, haar wimperloze ogen knipperen nauwelijks. Wat is ze mager! Leeft ze nog wel? Haar stakerige armen in een wit nachtgewaad liggen krachteloos op de deken, de vingers als takken ineengevlochten. De deken waaronder ze ligt vertoont amper een welving, terwijl zich daar toch een lichaam moet bevinden. Terug naar haar gezicht – bewegen haar lippen nu? Een klank, als een zucht: “God…” Bidt ze of vloekt ze?

“Eet nou toch eens, vrouw Gubbels,” riep moeder Clara uit. Het was een paar weken nadat Clasina Gubbels de ster op de kapel van Coudewater had zien vallen, die vrijdag in september 1878. Sinds die dag sprak en at ze niet meer. Ze had niet geweten waarom de ster juist op die dag moest vallen, maar Gods tekens kwamen immers wanneer het Hem behaagde. Ze wist wel wát het betekende. Het was Gods belofte van vergeving, als zij zou vasten. Ze moest zich zuiveren van de haat die in haar woelde. Het viel haar steeds minder zwaar, het vasten, maar ze was inmiddels zo verzwakt dat ze haar bed niet meer uit kon. Clasina had nooit toenadering tot de andere vrouwen in het gesticht gezocht, maar zij leek wel onweerstaanbaar voor hen. “Vooruit, aan de kant, neemt uw naaiwerk weer op!” De nieuwe zaalzuster joeg de vrouwen weg die steeds opnieuw geknield naar het bed van Clasina schuifelden, als onkruid om een bloemperk. Biddende vrouwenstemmen zwollen aan en ebden weg. Het hielp niet om de vrouwen dwazen te noemen. Daarom waren ze immers hier?

De dokter werd weer gehaald. Het was die met het hoge voorhoofd en de bakkebaarden. Een merkwaardig gezicht had hij, langwerpig en glad als een eikel zonder dop. Clasina had hem vaak genoeg gezien, daar hoefde ze haar ogen niet voor te openen. Hij betastte haar ribben onder haar jak, haar gezicht, zijn vingers verschoven de huid onder haar geloken ogen. “Gebruik de hoorn,” was zijn vonnis. Haar hoofd werd naar achteren gerukt, de koeienhoorn werd in haar neusgat geplaatst. Clasina schudde haar hoofd, haar muts raakte los in de worsteling, tot iemand haar hoofd in een klem nam. “Werk mee, dan is het zo gebeurd,” zei een stem. “Snuif, vrouw Gubbels! Dan gaat het beter.” “Wat is dat?” vroeg iemand geschrokken op de achtergrond. “Bouillon en vloeibare eieren. Ze moet eten! Anders zal ze sterven!” Niet sterven, dacht Clasina. Vasten moest ze, ja. God wist dat ze een zondares was. Van buiten een heilige, van binnen een duivel. Ze was hoogmoedig geweest. En vanuit die hoogmoed haatte zij degene die haar alles had afgenomen. Als zij haar onrechtpleger kon vergeven, lijdzaam haar lot zou aanvaarden, misschien zou God haar dan ook vergeven. Pas dan zou ze gerust mogen sterven. Ze snoof krachtig. Een schicht van pijn schroeide van haar neus naar haar keel.

Soms zweefde ze weg van haar sterfbed en was ze ineens weer op Giersbergen. De trotse eigenaresse van vele bunders bouwgrond, duinen en heide. Samen met haar zus meesteres van de kloeke bouwhoeve met het wolfsdak. Clasina voelde weer het fijne duinzand dat van haar hand afstroomde als water. Het knisterde tussen haar vingertoppen, terwijl ze er patronen mee op het voorerf aanbracht. Ze herinnerde zich haar tevredenheid als ze melk karnde met haar Engelse karnton. Wat een uitvinding! Hoe moeiteloos ging het! Daar zag ze haar zus Johanna aankomen, als altijd breiend met een takkenbos op de rug. Ze rook weer de geuren van toen. Stof en gras, koeienstront, regen, de rotte damp van pasgeslacht varken. Ze zag haar knecht Jan Johannesse die de opgespannen beesten met een bijl doorkliefde. Ze stond weer diep in te ademen in die zalige voorraadkelder, zo vol met zuurkool, kaas, gedroogde appels en balkenbrij, dat Johanna en zij er spontaan op de knieën vielen om God te danken. Ze verheugden zich zelfs op de winter. De hoorn des overvloeds, dat was het geweest…  Maar de aarde mag geen paradijs zijn. Daarom had God Wouter ingezet. Hij was ook een teken geweest. Een van de vele. Maar toen vader nog leefde was het anders geweest. Toen kende ze nog geen haat.

“Ha, Nol. Koffie?” “Nou, daar zeg ik geen nee tegen!” Nol de Drunense voerman zette de wagen stil en sprong van de bok. Wekelijks kwam hij met zijn rammelkar langs de hoeve. De boerderij was gunstig gelegen aan het karrenpad tussen Drunen en Helvoirt. Clasina spoedde zich altijd naar de weg als ze voorbijgangers hoorde naderen. Ze liet hen plaatsnemen op het wauwelbankje en bracht hen wat te drinken. Ze pompte water voor het paard en haalde melk of koffie. “En, nog nieuws, Nol?” “Ik kom net van Nelisse. Zijn paardje heeft twee veulens gehad. Ze zijn goed gezond. Hij is trots alsof het zijn kinderen zijn!” “En die van Derks, heeft hij nou de aangetaste rogge van het veld gehaald of is hij eigenwijs?” Zo verkreeg Clasina waardevolle inlichtingen. De reizigers – knechten, boeren, voermannen, venters – die langs de hoeve kwamen vertelden feiten en geruchten over dieren en land, bunders en bedragen. Ze waren verwonderd en gevleid dat zij – een vrouw immers – daar belangstelling voor had. Na een kwartiertje vertrok Nol weer, tevreden over de goede zorgen van dat vrouwmens. Waren alle boerinnen maar zo gastvrij, dacht hij. Hij wist niet dat hij meer voor Clasina betekende dan zij voor hem. ‘s Avonds na de maaltijd, wanneer de inwonende knechten en haar broer Wouter naar hun slaapvertrekken gingen en haar zus Johanna verstelwerk deed, vergaderde Clasina met vader. Ze deelde de door haar vergaarde informatie en ze bespraken welke gewassen het beste waren voor welk stuk grond, hoeveel zaaigoed er ingekocht moest worden, geruchten over veepest en moederkoorn, welk profijt de volgende jaarmarkt zou hebben, welke springstier moest komen. Vader hechtte aan haar mening. De boerenhoeve floreerde.

Vader stierf. Wouter werd vanzelfsprekend de baas over de boerderij. Hij was de oudste en de man. ’s Avonds aan tafel zei Clasina: “Ik heb gehoord dat dat goedje uit het buitenland, guano, zelfs zandweilanden vruchtbaar kan maken. Zullen we het eens proberen op de heideakkers?” Er viel een stilte. Alleen getik… Johanna’s breinaalden en de grote staande klok. Toen gromde Wouter, terwijl hij strak naar het tafelblad keek: “Je was dan wel het lieverdje van ons pap, maar bij mij hoef je met die eigenwijze praat niet aan te komen. Ik doe het wel op mijn manier.” Clasina was verbijsterd. Ze had nooit gemerkt dat Wouter afgunstig was. Bovendien had ze haar eigen adviezen altijd hoog ingeschat. Hoe kon hij die toch in de wind slaan? Dit korte gesprek luidde een tijdperk van nukkig zwijgen in. Clasina had er geen plezier meer in om inlichtingen van voorbijgangers en buren te verzamelen. Liever bad ze en probeerde ze zich met Gods hulp te schikken in de nieuwe situatie. Johanna bad vaak met haar mee. God troostte hen met kleine tekens. Vijftien jaar lang hield de hoeve de broer en de zussen in een wurggreep. Het was Johanna en Clasina tegen Wouter. Elk had zijn eigen taken – Johanna het huishouden, Clasina het vee, Wouter de buitengebieden en samen de grote klussen, maar gepraat werd er nauwelijks meer. Het was een opluchting toen Wouter aankondigde dat er een boedeldeling gemaakt moest worden. De zussen behielden de hoeve op Giersbergen met alle huisraad, de omliggende velden en de duinen en heide. Wouter vertrok naar de Distelberg, hij behield de daar gelegen grond en nam het vee en de gereedschappen mee.

In rood en rood omrand de gebieden die Clasina en Johanna bezaten. Rechts van het midden het gehucht Giersbergen.

De zussen wisten dat Wouter niet tevreden was met zijn deel. Hij zou toeslaan zodra hij kon. Ze maakten daarom direct een testament op ten gunste van elkaar, zodat hun bezittingen buiten zijn bereik zouden blijven. Nu brak de gelukkigste periode van Clasina’s leven aan. Ze werkten hard, Johanna en zij. Ze kochten moderne gereedschappen en twee nieuwe koeien. Ze namen nieuwe knechten aan. De heideakkers werden bemest met guano, zoals Clasina al eerder had gewild. Ze breidden de schaapskuddes uit en lieten rogge, bonen en spurrie verbouwen. Trouwen wilden ze geen van beiden. Ze hadden elkaar, hun werk en hun geloof. De kerk was te ver voor een dagelijks bezoek, maar ze baden wanneer ze maar gelegenheid hadden. En het ging hen goed.

De jaren scheerden voorbij als een boerenzwaluw. Hun haren werden grijs, hun gezichten doorgroefd. Er was heel geleidelijk een kentering in hun contact met andere mensen gekomen, die ze niet goed konden duiden. Voorbijgangers meden hun erf. Knechten namen ontslag. Op de markt wendden mensen zich van hen af. Het was een schok toen de zussen begrepen dat het hun geloof was dat aanleiding gaf tot kletspraat. Toen Clasina kwam vragen of Jan Johannesse bij hen in dienst wilde, zei hij eerlijk: “Ik heb rare verhalen over jullie gehoord. Is het waar dat jullie alleen wijwater gebruiken voor de akkers? Dat jullie het vee laten hongeren, omdat het net als jullie vasten moet? Dat jullie ’s nachts biddend in nachtgewaad over de velden dwalen?” Jan Johannesse was een sterke knecht met een goede naam. Hij wist wat hij waard was en Clasina wist dat zij zonder knechten zeker failliet zouden gaan. Jan Johannesse trad in dienst, maar bedong een buitensporig loon. Toen Johanna overleed, in 1873, legateerde Clasina zestienhonderd gulden aan haar knecht, en benoemde hem als uitvoerder van haar uiterste wil. Ze gaf hem de bezitneming van al haar goederen. Haar rechterhand beefde zo, die dag dat de notaris kwam, dat ze het document niet kon ondertekenen. Ze wist dat Wouter razend zou zijn.

Maar Wouter was een goede landbouwer: hij was geduldig. Hij wist dat de mensen zijn zonderlinge zussen observeerden, soms geamuseerd, maar meestal met weerzin vanwege hun afwijkende leefgewoonten en godsdienstbeleving. Wouter voedde de verdachtmakingen waar hij kon en wachtte af. Het duurde lang: geruchten zijn een traag maar taai gewas. Inmiddels was Johanna al dood, pas daarna kwam zijn kruid tot wasdom: alle mensen tussen Drunen en Helvoirt wisten met zekerheid dat Clasina in de ban van een hogere macht was. Visioenen zouden al haar handelingen bepalen. “Vrouw Gubbels komt je halen!” riepen moeders om hun kinderen bang te maken. Ze slaat haar mantel om je heen en voert je mee naar de duivel!” Als ze zich vertoonde op de markt van Drunen bogen vrouwen hun hoofden naar elkaar, met de blik strak op haar gericht. Lippen bewogen in meesmuilende mompeling. “Heb je ‘t al gehoord over de veetyfus?” “Nee, wat dan?” “Joris van Spijk, die heeft haar rundvlees gekocht. En nou zijn z’n koeien ziek.” “Zie je nou, ze heeft ’t vast vervloekt, die heks.” Ze trokken hun kinderen bij haar weg. Al wat zij zei, al wat zij deed gaf aanleiding tot geroddel. Zelfs de sierlijke zandpatronen voor de deur, die ze nog elke zondag aanlegde, net zoals haar moeder en grootmoeder dat hadden gedaan, zouden een geheime boodschap aan haar Meester zijn. Pijnlijker nog dan het isolement waarin ze raakte was het besef dat haar bezit verkommerde. Zelfs Jan Johannesse was plotseling verdwenen. Clasina wendde zich tot haar buren, uitgaande van de traditionele burenhulp. Maar vrouw Van Hulten, in een ver, ver verleden nog haar speelkameraadje, zette de erfhond tegen haar op: “Vraag het uw duivels maar,” riep ze over het gegrom en geblaf heen, “wij willen er niks mee van doen hebben.” Clasina verkocht haar vee, ver onder de prijs. Gewassen bleven op de velden staan. Alleen menselijke aaseters trippelden nog over haar erf en gronden, om te inventariseren en te onderhandelen over haar bezittingen. Gesprekken over hypotheken en kredieten. Men sprak haar toe: “Schei toch uit met die boerderij. Kom toch stilletjes in de kom van de gemeente wonen.” Zij antwoordde moe: “Als ik van Giersbergen aftrek, dan ga ik naar de hel.” Zie je wel,” zeiden de mensen tegen elkaar, “ze is bezeten.”

14 december 1877 was de dag dat Wouter eindelijk zijn giftige vruchten binnenhaalde. Een uitstekende oogst. Hij verkreeg het document dat haar niet alleen haar bezit ontnam, maar ook definitief haar reputatie. Buren die ze ooit vertrouwd had zetten hun handtekening als getuigen. Clasina was onder curatele gesteld wegens onnozelheid. Ze was buiten zichzelf geweest toen de ambtenaren het haar meedeelden. Ze stond in de deuropening tussen hen in, de vuisten gebald. Ze staarde naar de einder en beefde over haar hele lichaam. “Waar is Wouter,” bracht ze krakend uit, “breng hem hier, ik vermoord hem!” De burgemeester raakte bezorgd haar arm aan. “Gaat het wel, vrouw Gubbels? Wilt ge efkes zitten?” Had hij haar niet gehoord? Had ze wel gesproken? Ze brulde het uit, al haar woede. Ze haalde uit met haar vuisten, met een oerkracht sloeg ze de mannen waar zij ze raken kon. Wouter moest sterven! Een gruwelijke caleidoscoop volgde: schreeuwende mannenstemmen, haar rechterarm kon plotseling niet meer bewegen, een voorwerp kwam hard met haar hoofd in aanraking, witte doeken, waar was de grond onder haar voeten? De betekenis van boven en onder verdween. Handboeien, duisternis, gegrom en gehuil – was zij dat zelf? De smaak van bloed. Haar klompen verdwenen: haar voeten voelden bloot en kwetsbaar in het luchtledige. Gerammel van paardentuig, gerommel en geschud, een paard brieste, een vrouw lachte. Deuren die in het slot vielen, geblokte vloeren, nonnenkappen, stalen kettingen en medische instrumenten. Wouters krankzinnige oogstfeest.

Vanaf de dag dat ze de ster op de kapel had zien vallen bleef Clasina zwijgen en vasten. Ze lag erbij als een opgebaarde dode: haar handen gevouwen, haar ogen gesloten. Niet alleen de krankzinnige vrouwen, maar ook een aantal zaalzusters voelden eerbied in haar nabijheid. Ze zagen de lijdzame buitenkant, en zij die haar levensloop kenden voelden mededogen. Waren niet alle heiligen tijdens hun leven onbegrepen geweest? Beschimpt en bespot? Maar Clasina’s haat jegens Wouter verteerde haar vanbinnen, barstte als chronische diarree uit haar lichaam. Eten weigerde zij consequent. Het gebruik van de hoorn werd een dagelijkse praktijk om haar te voeden.

Pas nu, na twee jaar, nu zij zo uitgeteerd en verzwakt is dat iedereen haar al voor een lijk houdt, is haar haat verdwenen. In haar koortsige staat voelt ze zich licht en vrij. Ze voelt het: God heeft haar vergeven! Haar vastenperiode is voorbij! De dokter zit stram op de Oirschotse stoel bij haar bed. Hij heeft haar uitgemergelde pols tussen duim en wijsvinger. Ze begint te spreken, zacht maar dingend: “Dokter! Laat mij naar huis gaan. God wil het. Heus! Hij gaf mij het teken. Ik zal thuis een kloosterorde stichten met de zusters van hier.” Het praten voelt gek na die lange tijd, maar ze moet hem overtuigen: “We zullen samen werken en bidden, mijn hoeve is groot. Laat me naar huis gaan, God heeft het besloten, het moet.” De dokter legt haar pols voorzichtig terug op het bed en zegt: “Vrouw Gubbels, vermoei u niet. Zwijg liever.” Heeft hij haar wel gehoord? Clasina praat in zichzelf verder. Praat ze of denkt ze over die vrouwengemeenschap op Giersbergen? Het is op 18 september 1882, om 7 uur ’s ochtends in krankzinnigengesticht Coudewater te Rosmalen dat Clasina sterft. Ze is drieënzestig jaar oud geworden.

Geraadpleegde bronnen:

  • Notariële akten (boedelscheiding, testamenten): Streekarchief Langstraat Heusen Altena, www.salha.nl
  • Informatie over Clasina’s ouders, broer en zus (geboorte, overlijden), hypotheek en stukken betreffende de curatele: Brabants Historisch Informatiecentrum, www.bhic.nl
  • Krantenadvertenties aangaande de curatele en verkopingen, informatie over landbouwberichten: Provinciale Noord-Brabantsche en ’s Hertogenbossche Courant, via www.Delpher.nl
  • Het grondbezit van Clasina Gubbels, gelegen rond Giersbergen en in de Loonse en Drunense Duinen: Kadastrale kaart 181-1832: minuutplan Drunen, sectie D via: http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl
  • Overlijdensakte: www.erfgoedshertogenbosch.nl
  • Omslagfoto van Giersbergen: www.heusdeninbeeld.nl
  • Opgenomen in Coudewater
  • Medische casus: Verslag van het geneeskundig gesticht voor krankzinnigen “Coudewater” te Rosmalen over het vijftienjarig tijdvak van 1870-1885, bewerkt door Dr. L.Th. Pompe, Eersten Geneesheer-Directeur en F.J. van der Kroon, in leven tweeden Geneesheer. Teulings, ’s Hertogenbosch, 1887. Derde hoofdstuk, 1. Exaltatie-vormen: Mania. Pagina 109-111, Online via http://archive.org

Hier lees je een eerste aanzet tot bovenstaand verhaal.

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht