Te gek om los te lopen

Voorouders in krankzinnigengestichten

De integrale tekst van mijn artikel voor Gen.magazine van september 2019

Psychiatrische aandoeningen zijn van alle tijden. ‘He that has no fools, knaves or beggars in his family, was begot by a flash of lightning,’ aldus de Britse geestelijke en historicus Thomas Fuller (1654-1734). Ofwel: wie geen gekken, boeren of bedelaars in zijn familie heeft, is verwekt door een bliksemstraal. Maar hoe kun je als genealoog meer te weten komen over voorouders die in een krankzinnigengesticht verbleven?

Auteur Marita van Brussel

Eeuwenlang werden psychiatrische aandoeningen toegeschreven aan de duivel, verkeerde lichaamssappen of een slechte levenswandel. De zorg was beperkt: wanneer de eigen familie een geesteszieke niet meer aankon, kwam die op straat te staan, of werd ondergebracht bij particulieren of religieuzen. Sinds de vijftiende eeuw was er nog een mogelijkheid: het dolhuis. Deze ‘gekkenhuizen’ waren uit menslievende motieven opgezet, maar het belangrijkste doel was de samenleving van overlast te vrijwaren.

Onder invloed van het humanisme kwam er aan het begin van de negentiende eeuw een omslag in het denken over psychiatrische stoornissen. De term ‘dol’ werd vervangen door ‘krankzinnig’, letterlijk: ziek van geest. De medische wereld kreeg aandacht voor de waanzin als ziekte, als iets geneeslijks. Het ene na het andere dolhuis schafte de gewoonte af om patiënten tegen betaling tentoon te stellen aan het publiek. Menswaardigheid werd het sleutelwoord. Toch bleef de verzorging in dolhuizen en andere bewaarplaatsen dramatisch slecht, zoals de inspecteurs van het krankzinnigenwezen zouden vaststellen na een landelijk onderzoek. Bijna overal in Nederland trof de inspectie mensen in vervuilde hokken aan, vastgeketend en mishandeld.

Krankzinnigenwetten

De Eerste Krankzinnigenwet van 1841 moest dit veranderen. Er werd voortaan onderscheid gemaakt tussen ongeneeslijke en geneeslijke krankzinnigen. De eerste groep werd ondergebracht in bewaarplaatsen, de tweede in geneeskundige krankzinnigengestichten. Beide soorten instellingen kwamen onder overheidstoezicht te staan. Aan de geneeskundige krankzinnigengestichten moesten artsen verbonden zijn. Geesteszieken mochten alleen nog opgenomen worden na een rechterlijke machtiging en een medisch onderzoek. Het verblijf in een krankzinnigengesticht moest periodiek worden heroverwogen.

Tegen de verwachting in groeide de populatie van de krankzinnigengestichten explosief. Er brak een periode van grote bouwwoede aan om de overvolle bestaande instellingen – veelal voormalige dolhuizen in de binnensteden – te ontlasten. In het nieuwe denken over geestesziekte vond men het essentieel dat de patiënt uit zijn omgeving werd gehaald. Een verblijf met frisse lucht op het platteland, met goede voeding, arbeid en opvoeding zou noodzakelijk zijn voor het hervinden van geestelijk evenwicht. De nieuwe gestichten werden daarom buiten de stad gebouwd, bij voorkeur volgens het paviljoenstelsel: afzonderlijke huisvesting voor verschillende categorieën patiënten. De Tweede Krankzinnigenwet, uit 1884, was een aanscherping van de eerste. Zo kwam er een registratieplicht voor het gebruik van dwangmiddelen, en ook personen die buiten inrichtingen verpleegd werden kwamen onder overheidstoezicht te staan.

In de laatste decennia van de negentiende eeuw ‘ontdekte’ men een nieuwe patiëntengroep: de zenuwlijders. Deze doorgaans welgestelde burgers, die leden aan zenuwachtigheid, hysterie, lichte psychoses of vermoeidheid, wilden niet in een krankzinnigengesticht worden opgenomen, omdat er een hardnekkig aura van armoede en hopeloosheid omheen hing. Een wijziging in de krankzinnigenwet in 1904 maakte opname zonder rechterlijke machtiging mogelijk. Ook andere particuliere instellingen dan krankzinnigengestichten mochten op beperkte schaal geesteszieken gaan verplegen. Er kwam een meer divers aanbod van sanatoria voor zenuwlijders en tehuizen voor chronische patiënten, zoals dementerenden. Ook gezinsverpleging werd mogelijk. Tevens kregen krankzinnigengestichten ‘open afdelingen’, waar patiënten op vrijwillige basis opgenomen konden worden.

Inrichting van de inrichting

Tot laat in de negentiende eeuw bestond er geen specifieke opleiding tot psychiater. Medici die zich toelegden op de behandeling van psychiatrische patiënten hadden een achtergrond als arts, chirurg of vroed- en heelmeester. De betaling en het aanzien van gestichtsartsen was laag, hun werkdruk hoog: ze hadden meer dan honderd patiënten van wie observaties moesten worden bijgehouden en voor wie geneesmiddelen moesten worden gereedgemaakt. Ook fungeerden ze als huis- en tandarts voor hun patiënten. Daarnaast verrichtten de geneesheren autopsie na sterfgevallen, deden laboratoriumonderzoek, vergaderden met aandeelhouders en instanties, en hielden toezicht op het personeel: huismeester, administrateur, klerk, en de verplegers, die pas vanaf 1892 medisch werden geschoold.

In de gestichten was er een strikte scheiding van de seksen. Daarbinnen werden patiënten van elkaar gescheiden per verpleegklasse. De rijksten behoorden tot de eerste klasse, de armsten tot de derde, vierde of vijfde. De verpleegden eerste klasse beschikten over geriefelijke kamers voorzien van schilderijen, kamerplanten, muziekinstrumenten en gordijnen. Patiënten in de laagste klasse verbleven in zalen en sliepen op een brits met een stromatras.

Als de patiënt of zijn of haar familie voldoende financiële armslag had, kon men kiezen in welke klasse de patiënt verpleegd moest worden. Het kwam regelmatig voor dat iemand niet-hersteld ontslagen werd, omdat de familie de verpleegkosten niet meer kon opbrengen. Armen werden verpleegd op kosten van het bestuur van hun laatste woonplaats. Het welzijn van de ‘arme krankzinnigen’ was altijd ondergeschikt aan het gemeentebelang. Dat betekende dat zij (over)geplaatst werden al naar gelang zich de goedkoopste mogelijkheid voordeed. Ook als dit betekende dat een patiënt in een andere provincie moest verblijven.

Binnen elke verpleegklasse werden de patiënten ingedeeld in drie categorieën: rustig, half-onrustig en onrustig. Er was geen indeling op ziektebeeld. Alles zat door elkaar: mensen met psychoses, depressies, hersenvliesontsteking, tertiaire syfilis, schildklieraandoeningen, een hersentumor, epilepsie, alzheimer, parkinson, korsakov enzovoorts.

Het sterftecijfer in de gestichten was vrij hoog door de dementerende ouderen en de vele patiënten die ook lichamelijk in slechte gezondheid verkeerden. Toch was opname in een gesticht niet langer het eindpunt: de meeste mensen werden binnen twee jaar ontslagen, al dan niet genezen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw zochten artsen actief naar behandelmethoden die genezing of verlichting van de klachten teweeg konden brengen. Men erkende de heilzame werking van arbeid, ontspanning en onderwijs. De nieuwere gestichten waren vrijwel geheel zelfvoorzienend, mede door de arbeid van de verpleegden in het huishouden en op de buitenterreinen. Ruimte voor ontspanning was er in de vorm van bijvoorbeeld wandelen, theatervoorstellingen, muziek en gymnastiek. Patiënten werden vermanend toegesproken en heropgevoed. Er werd geëxperimenteerd met het veroorzaken van schrikreacties en toediening van elektriciteit. Afzondering en dwangmiddelen werden minder toegepast. Als medicatie dienden zwaar verdovende en kalmerende middelen, zoals opium, chloraalhydraat, kaliumbromide. Na 1890 begonnen de gestichten steeds meer op ziekenhuizen te lijken: patiënten kregen letterlijk bedrust voorgeschreven. Ook werden patiënten ter kalmering uren, dagen of zelfs weken in een lauw bad gezet.

Coudewater

In 1870 barstte het oude Reinier van Arkelgesticht in ’s-Hertogenbosch uit zijn voegen. Daarom werd onder leiding van de artsen Ludovicus Theodorus Pompe en Eduardus Arnoldus Petrus van den Bogaert een geneeskundig gesticht voor krankzinnigen opgericht op het landgoed Coudewater bij Rosmalen. Hier stond al een kloostergebouw met verschillende bijgebouwen, er was ruimte en landbouwgrond, het lag landelijk en was toch goed bereikbaar via een klinkerweg. Voor de verpleging van de patiënten werden religieuzen ingeschakeld, terwijl het gesticht openstond voor patiënten van alle gezindten uit heel Nederland. Coudewater verwierf het contract voor armlastige patiënten uit Noord-Brabant. Direct werden zo’n honderd patiënten uit het Reinier van Arkel overgeplaatst naar Rosmalen. Vanaf 1871 werden er ook patiënten op kosten van het Rijk verpleegd, zoals gevangenen met een psychiatrische stoornis en geesteszieke landlopers uit de strafkolonies. In januari 1885 werden er in totaal 593 patiënten in Coudewater verpleegd.

Toen het gesticht vijftien jaar bestond, schreef Pompe met de tweede geneesheer, Frederic Joseph van der Kroon, een uitgebreid verslag over de stand van zaken. Onder andere werd een groot aantal ziektegeschiedenissen (casussen) van patiënten beschreven. Het verslag over Coudewater schoot de redactie van De Tijd danig in het verkeerde keelgat. Het dagblad maakte bezwaar tegen de minutieuze beschrijvingen van patiënten, en in sommige gevallen van hun familieleden. Er was volgens De Tijd sprake van schending van het medisch geheim, doordat de patiënten onvoldoende waren geanonimiseerd. Een patiënt werd bijvoorbeeld aangeduid als ‘Ant. v. Br…, 48 j., geh., 3 kind., N.H., kastelein, Amst…’. Het kon voor mensen uit zijn omgeving niet moeilijk zijn te achterhalen om wie het ging, meende de krant. Pompe verweerde zich door te stellen dat het werk alleen bestemd was voor een beperkte kring van geneeskundigen en andere wetenschappelijke of ontwikkelde mannen. Toch trok hij zich de kritiek aan: in latere periodieke verslagen waren de besproken patiënten niet meer herkenbaar.

De bezwaren van De Tijd zijn illustratief voor de empathie die men voor krankzinnigen was gaan voelen. Aan het einde van de negentiende eeuw had de algemene overtuiging postgevat dat geesteszieken niet tot schouwspel mochten dienen voor anderen. De tijd van het ‘gekken kijken’ was definitief voorbij.

Klap van de molen?

Het ontdekken van een krankzinnige voorouder in je stamboom kan tot lichte ongerustheid leiden. Is die stoornis erfelijk? Drie argumenten ter geruststelling.

1) Eeuwenlang verkeerde de meerderheid van de bevolking in een slechte conditie. Zoals tegenwoordig bekend is, kunnen factoren als armoede, eenzijdige voeding, zwaar en ongezond werk, ondoelmatige kleding, slechte huisvesting, blootstelling aan ziektes en gebrek aan hygiëne niet alleen op de lichamelijke, maar ook op de geestelijke gezondheid hun weerslag hebben.

2) Lang werd men krankzinnig verklaard op grond van waarnemingen van afwijkend gedrag. Dit gedrag had echter lang niet altijd een psychiatrische oorzaak. Vaak lag er een fysieke of neurologische aandoening aan ten grondslag, bijvoorbeeld niet-aangeboren hersenletsel waardoor iemand verward of agressief werd, of een langdurige onbehandelde besmetting met syfilis, met wanen of apathie als waarneembare gedragsverandering. Anders gezegd: sommige mensen werden krankzinnig verklaard op grond van een niet-herkende lichamelijke kwaal.

3) Psychische aandoeningen worden niet door de mutatie van één gen veroorzaakt. Dus al was je voorouder psychisch labiel, er is geen rechtstreekse erfelijkheid; het is niet mogelijk te voorspellen wie van zijn of haar nageslacht psychisch ziek wordt. Hooguit kan er sprake zijn van een bepaalde mate van aanleg binnen een familie, bijvoorbeeld een gevoeligheid voor depressies of psychoses. Dan nog bepaalt een combinatie van vele factoren op het gebied van leefstijl, gezondheid, persoonlijkheid en ingrijpende levensgebeurtenissen of uit die gevoeligheid daadwerkelijk een aandoening tot ontwikkeling komt. Voor meer informatie hierover: erfelijkheid.nl.

Broodversierder

De 45-jarige katholieke banketbakker Cornelis Rutger de Ruijter uit Baarn was de uitvinder van de gestampte muisjes en grondlegger van wat tegenwoordig Koninklijke De Ruijter heet. Eind 1881 werd hij vanwege hersenverlamming opgenomen in Coudewater. Volgens zijn artsen was hij ‘stil van karakter’. Elf jaar daarvoor ‘stootte hij zich erg het hoofd en was daardoor lang ongesteld’ en in juni 1880 ‘schrikte hij erg door een schielijk sterfgeval en een kleinen schoorsteenbrand’. De artsen vermoedden dat deze factoren zijn verwarring veroorzaakten. In Coudewater gedroeg hij zich meestal apathisch, ‘al verbrijzelt hij nu en dan borden, ruiten enz. en is hij door zijne onbesuisde handelingen lastig en gevaarlijk’. In juni 1882 kreeg hij een beroerte. Hierna was hij eenzelvig en terneergeslagen en begon voedsel te weigeren. Hij kreeg het idee al overleden te zijn. Uitgemergeld werd hij op verzoek van zijn familie in februari 1883 ontslagen, zodat hij thuis kon sterven. Toch keerde hij na drie maanden terug naar Coudewater. Zijn gesteldheid was volledig veranderd: ‘Zoo moeilijk als hij vroeger in het eten was, zoo gulzig is hij thans, ontkleedt zich tusschenbeide, neemt servet, hemd enz. doopt ze in zijn pot de chambre, scheurt ze tot stukken en maakt er pasteitjes van, die hij presenteert, verzamelt steentjes als zoovele juwelen, dan weder is hij apotheker, dan bakker, en bereidt uit zand enz. allerlei nieuw door hem uitgevondene lekkernijen.’ Na een nieuwe beroerte overleed de broodversierder op 11 maart 1884.

Tips van Marita

1. Coudewater

Het verslag van Pompe en Van der Kroon is ook voor genealogen een bijzondere bron. De beschreven casussen geven een intiem inkijkje in het leven van een voorouder. Zijn of haar voorgeschiedenis, leefomstandigheden voor de opname, afwijkend gedrag en ziektebeeld worden uitgebreid beschreven. Soms wordt geciteerd uit brieven of zijn meningen en opmerkingen van patiënten, behandelaars of echtgenoten genoteerd. Dichterbij een voorouder kun je haast niet komen! Door genealogisch speurwerk heb ik van 238 personen uit het verslag de identiteit kunnen achterhalen. Op mijn website vruger.nl/vooroudersincoudewater kun je zelf zoeken of de casus van een voorouder voorkomt in het verslag. Vervolgens kun je de casus opzoeken in het online beschikbare verslag: archive.org/details/b20387921.

2. Akten burgerlijke stand en bevolkingsregister

Een enkele keer staat er in het bevolkingsregister een onverwachte woonplaatswijziging. Het kan ook zijn dat een voorouder onverklaarbaar ver van huis is overleden. Lees in dit geval de originele overlijdensakte goed: staat als woonplaats de oorspronkelijke woonplaats vermeld? Zijn de aangevers van overlijden beambten met beroepen als portier, oppasser, bode of veldwachter? Stond er een krankzinnigengesticht in de plaats van overlijden, dan is de kans groot dat je voorouder daar als patiënt is overleden (op vruger.nl staat een lijst met gestichten en bewaarplaatsen in de negentiende eeuw). De website archieven.nl is dan een goed startpunt voor nader onderzoek.

3. Administratie krankzinnigengestichten

De gestichten waren wettelijk verplicht een nauwkeurige administratie bij te houden. In stamboeken werd binnenkomst en vertrek van de patiënten genoteerd. Betalingen, aanmaningen, rechterlijke machtigingen en verlengingen werden allemaal bijgehouden. Het meest fascinerend zijn de patiëntregisters. Daarin werden de dagelijkse, wekelijkse, later maandelijkse observaties van artsen over een patiënt genoteerd. Vanaf 1884 moesten krankzinnigengestichten ook het gebruik van dwangmiddelen (dwangjak, -stoel, -handschoen, isoleercel, etcetera) in een afzonderlijk dwangregister bijhouden. Helaas zijn niet van elk gesticht de archieven vrijgegeven voor inzage.

4. Rechtbankarchieven

Tussen 1841 en 1904 kon een patiënt alleen worden opgenomen in een gesticht na een rechterlijke machtiging, die afgegeven werd na advies van een arts. Maar ook na 1904 verliep opname meestal via dezelfde procedure. In het archief van de lokale rechtbank (burgerlijke zaken) kun je zoeken of er rekesten (verzoekschriften) om opname in krankzinnigengestichten bewaard zijn gebleven. Bij deze rekesten vind je vaak de artsenverklaring die een inkijkje geeft in de aard van de aandoening. Deze rekesten zijn gewoonlijk op datum geordend. Verder kun je in het rechtbankarchief mogelijk de naam van je voorouder aantreffen in een curateleregister: tussen 1841 en 1884 werden krankzinnigen verplicht onder curatele gesteld.

5. Archief gemeentebestuur

Voor armlastige patiënten trad de gemeente op als verzoekende en betalende instantie. In het archief van het gemeentebestuur van de voorouder kun je in- en uitgaande correspondentie van het gemeentebestuur doorzoeken. Misschien is er correspondentie met krankzinnigengestichten, rechtbanken, artsen, familieleden of andere betrokken bewaard gebleven. Verder zijn stukken uit het gemeentearchief met betrekking tot (sociale of armen)zorg, openbare orde en justitie van belang om in te zien; mogelijk word je voorouder hierin genoemd.

6. Historische kranten

Zoek eens in delpher.nl op initialen, achternaam, woonplaats, krankzinnig*, curatele, en combinaties van deze zoektermen. Het kan verrassende berichten opleveren.

7. Verslagen van gestichten

Een aantal gestichten publiceerde in de negentiende eeuw net zulke periodieke verslagen als dat over Coudewater. Hoewel het onwaarschijnlijk is dat een voorouder er herkenbaar in beschreven wordt, geeft zo’n verslag een interessant beeld van de omstandigheden waarin je voorouder verkeerde. Meerdere verslagen zijn als e-book te lezen, bijvoorbeeld via Google Books.

Bronnen:

  • Ruud Abma en Ido Weijers, Met gezag en deskundigheid. De historie van het beroep psychiater in Nederland (Amsterdam 2005).
  • J.W.M. Jongmans, Coudewater 1870-1980, een korte historie (Rosmalen 1983).
  • L.Th. Pompe en F.J. van der Kroon, Verslag van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen ‘Coudewater’ te Rosmalen over het Vijftienjarig Tijdvak van 1870-1885 (Den Bosch 1887).
  • Rob Wolf, Nadien. Naar meer samenhang in de Oostbrabantse psychiatrie (Rosmalen 1995).
  • De Tijd. Godsdienstig-staatkundig dagblad, 26-09-1887 en 11-10-1887.
  • Museum De Kluis in Huize Padua, Boekel.
  • Museum Dr. Guislain, Gent.

Marita van Brussel studeerde culturele antropologie en rechten. Zij onderzoekt de levens van mensen in de marge van de geschiedenis en vertelt hun verhaal. Haar website: vruger.nl.

Misschien ook interessant...?

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht