Het Waalse netwerk van landlopers in de Nederlanden (1787-1811)

De herder en de kudde

In de eerste paar jaar van de 19e eeuw werden er bij razzia’s op vreemd gespuis opvallend veel jonge Waalse landloopsters opgebracht in Brabant en Gelderland. De procureurs-generaal van de gerechtshoven wonnen dan inlichtingen over deze vrouwen in bij de gerechtspolitie in de plaats van herkomst. Toen er weer zo’n verzoek binnenkwam bij de substituut procureur-generaal van de gerechtspolitie van departement l ’Ourthe in Luik, monkelde deze op 9 februari 1804: “We hebben de herder geslagen, nu valt de kudde uiteen!” De Waalse landloopsters bleken vriendinnen, dochters en zussen van een reizend crimineel netwerk van Walen dat al zo’n drie decennia de lage landen onveilig maakten. Een netwerk dat in 1804 grotendeels geneutraliseerd was nadat de kopstukken opgepakt en berecht waren.

Een nieuw bestaan

De dagelijkse kost van deze zwervende Walen in de laatste kwart van de 18e eeuw werd gewonnen door bedelen, muziek maken met viool, tamboerijn of triangel, het venten van spijkers en naalden of zelfgebreide kousen, en landarbeid. Velen huurden ’s winters een onderkomen in Luik, en zwierven rond als het zomer werd. Logeren deden ze dan meestal bij boeren in de stal, of in de open lucht, een enkele keer in een slaapstede. Het ging om mannen, vrouwen en een heleboel kinderen. Het lucratiefst waren de nevenactiviteiten die de mannen ondernamen: beurzensnijden op kermissen, insluipingen en zelfs gewelddadige woningovervallen. Vrouwen stalen vooral lappen stof uit winkels, verkenden en gaven informatie door aan mannen, en verkochten gestolen goederen door. Doordat rond de eeuwwisseling de belangrijkste personen inmiddels ter dood waren gebracht of voor langere tijd in tuchthuizen waren ondergebracht, moesten de vrouwen en kinderen nieuwe manieren vinden om te overleven. Dat deden ze met wisselend succes. Kolenscheppen in het Luikse was een optie, en natuurlijk kon men blijven bedelen of musiceren. Spinnen en breien waren populaire winteractiviteiten. Sommigen kozen uit liefde of lijfsbehoud voor een leven als zoetelaarster/marketentster, en trokken met legereenheden mee. Anderen brachten de zomers door in Zeeland waar ze voor dijkenbouwers kleding wasten en jenever tapten. In bepaalde seizoenen konden ze in Holland bij het oogsten van de boekweit helpen, of in Zeeland bij de mekrapoogst. Kleinere goederen inkopen om die langs boerderijen uit te venten was ook een inkomstenbron. Behalve spelden en naalden, rijgnestels en linten werden in de 19e eeuw religieuze boekjes populaire handelswaar. Een huwelijk met een man die onderdak, onderhoud en stabiliteit kon bieden was voor slechts weinigen weggelegd. Vagebonderende personen werden immers geweerd uit steden, en gewantrouwd in dorpen. En het reizen zat de vrouwen in het bloed. Hoe kon je een goede huisvrouw worden als je nooit een huis had gehad? Wat opvalt is dat ik geen vrouw uit het netwerk heb gevonden die de prostitutie inging, terwijl dat voor deze ernstig gemarginaliseerde vrouwen toch ook een optie was. Mogelijk voorkwam de sociale cohesie binnen de groep dat.

De kroongetuige

Het begin van het einde voor de vagebonderende criminelen werd ingeluid met de arrestatie van de broers Boutiers in Breda in 1787, die beiden pas rond de twintig jaar oud waren. Thomas en Jean Donné waren al op zeer jonge leeftijd op drift geraakt. Zij werden na hun eerste leugentjes bijzonder openhartig over hun leven, en dat van andere mensen die ze kenden. Ze kwamen uit het gehucht Mortier bij Blégny. Ze vertelden dat hun vader mijnwerker geweest. Toen hij ziek werd begon moeder te bedelen, eerst alleen in de omgeving van Luik. Zoon Thomas werd als elfjarige als knechtje bij een reizende crimineel in de kost gedaan. Nadat vader gestorven was, vergrootte moeder met haar andere kinderen de omzwervingen tot in Limburg, Zeeland en Bataafs Brabant. Eén broer, André, raakte als kind bedolven toen een huis instortte. Thomas nam als vijftienjarige dienst bij de Waalse dragonders in het corps van Mattha. Een broer, Gaspar, groeide uit tot een centrale figuur in het netwerk van criminele vagebonden. Hij werd tenslotte doodgestoken door een andere vagebond bij een ruzie over de verdeling van de buit. Thomas vertrok bij de dragonders, nam Gaspars positie in en zijn vriendin over. Jean Donné bewoog zich zijn hele puberteit te midden van de zwervende vagebonden. Hij was aanwezig bij diefstallen, kermisberovingen, massagevechten, zware mishandelingen en executies van bevriende landlopers. Toen hij gearresteerd werd was zijn vriendin hoogzwanger van hem. De broers noemden bijna honderdvijftig andere zware jongens en meisjes, vrijwel allemaal van Waalse origine, compleet met signalementen. Toen alle informatie uit hen geperst was, kregen ze hun vonnis. Thomas werd vanwege zijn medeplichtigheid aan woningovervallen, inbraken, diefstallen, vagebonderen en zelfs een verkrachting tot de strop veroordeeld. Jean Donné, die veel terughoudender was geweest op crimineel gebied, en had geweigerd deel te nemen aan inbraken als er plannen waren de bewoners te binden, kreeg een levenslange tuchthuisstraf. Daar stond wel iets tegenover: elke keer als er een Waalse landloper werd gearresteerd, werd hij erbij gehaald om de persoon te herkennen. De fotografie bestond immers nog niet. Elke landloper bediende zich van aliassen, en de signalementen waren vaak nogal gebrekkig. Jean Donné zal door de meeste vagebonden gehaat zijn geweest. Hij had zelf verteld hoe men “klappende” vagebonden liet verrotten aan de galg, terwijl degenen die gezwegen hadden door bevriende zwervers van de galg werden gehaald om begraven te worden. Voor justitie is Jean Donné Boutiers zeer waardevol geweest. Tenslotte wist hij in 1808 uit het tuchthuis van Breda te ontsnappen. Hij nam dienst in Bergen-Henegouwen en overleed in 1831 als soldaat in het militair ziekenhuis van Mons.

Politionele samenwerking onder Frans bestuur

Een andere reden waarom het sleepnet zich om de vagebonden sloot was dat onder het Franse bestuur er voor het eerst een degelijke informatie-uitwisseling tot stand kwam tussen de gerechtshoven. De vagebonden merkten dat het niet langer voldoende was om van het ene territorium naar het andere te vluchten. Steeds meer mannen werden opgepakt, en na uitgebreid verhoor veroordeeld tot de strop. De vrouwen en kinderen kregen vooral straffen als geseling, een jarenlange tuchthuisstraf en/of verbanning. Er was voor hen vaak nog een nieuwe start mogelijk.

Een bende of een netwerk?

Ik weet niet of het woord “bende” op zijn plaats was. Men groepeerde en hergroepeerde, al naar gelang het zo uitkwam. Er waren geen leiders, hooguit meer ervaren en meer geharde personen die meer initiatief namen. Het is wel interessant om te kijken welke factoren de groep bijeen hielden:

taal en taligheid:

Men sprak aanvankelijk dezelfde taal, het Waals-Frans. Gezien de ligging van Luik zal het Duits ook door velen gesproken zijn. Bovendien was er de gemeenschappelijke taal van de vagebonden: het Bargoens, een internationaal mengelmoesje van talen. Bij latere generaties zie je dat men ook het Brabants beter begon te spreken. Severain Loues [beticht van medeplichtigheid aan vele diefstallen en gewelddadige overvallen] was een oudgediende die bij woningovervallen in Brabant vaak op de uitkijk stond, omdat hij de taal niet sprak en daardoor niet kon communiceren met de bewoners. Maar de jongere generatie, vooral de vrouwen, omdat die die intensiever contact hadden met de plaatselijke bevolking, sprak weldegelijk voldoende Brabants om zich te kunnen redden. Men kon niet lezen of schrijven. Doordat de Frans-klinkende namen fonetisch werden opgeschreven door pastoors, klerken en burgemeesters is er veel variatie per familienaam te vinden. Bijv: Matray, Mattré, Mattrei of Martret – Coune, Koenen, Koen, of Bouthiers, Botier, of Boetjee – Mahué, Mawet, Moewee of Maouet, etc. Bij bijna alle namen moet je eigenlijk denken: “klinkt als…” en zoeken op alles wat daar in de buurt komt.

herkomst:

Er waren een aantal dorpen die hofleveranciers van vagebonden waren. De reden zal in economische omstandigheden ter plaatse hebben gelegen. Herstal, Stavelot, St. Remy (Housse) en Mortier (Blégny) waren plaatsen die vaak genoemd werden als dorp waarin men thuis hoorde. Bij de jongeren was er haast geen sprake meer van een band met het thuisdorp of specifieke loyaliteit met anderen uit die plaats.

Herstal: Matray, Henrard, Marnette, Vignette, Dupré, le Clercq

Stavelot: Merlin, Closs, Martin, Dareis

St Remy/Housse: Courtois, Loues, Salaman

Mortier/Blegny: Boutiers, Coune, Faus, le Cadet, Lenoir

familiebanden:

Doordat het netwerk zo lang bestond, raakte het steeds hechter met elkaar vergroeid doordat men relaties en vriendschappen met elkaar aanging. Het was als een soort drijvend dorp.

militaire banden:

Een aantal mannen had militaire ervaring, met name als dragonder of grenadier, al deserteerde men geregeld. Ongetwijfeld pasten zij bij hun criminele activiteiten technieken toe die ze in dienst geleerd hadden. Verschillende ex-militairen bleven ook na hun dienst met elkaar optrekken en samenzweren. Hoe meer militaire ervaring, hoe gevaarlijker de persoon.

religie en rites:

Los briefje in het doopboek van Best, 30 maart 1798

Alle Waalse vagebonden waren katholiek. De formele rites zoals dopen, de eerste communie en het huwelijk werden min of meer aangehouden. Trouwen was lastig. Sommigen zeiden bij verhoren dat ze wel trouwplannen hadden, of dat ze wel getrouwd waren, maar geen geld hadden om daar een bewijs van te verkrijgen uit de plaats waar men trouwde. Het verschilde per plaats hoe men omging met trouwlustigen die geen bewijzen konden overleggen van ongehuwdheid, van geboorteplaats of leeftijd. Men deed wel moeite om de kinderen te laten dopen door de plaatselijke pastoor, al dan niet onder valse naam. Men trad voor elkaar als doopgetuigen op. Helaas zullen ongetwijfeld verschillende dopen uit de annalen verdwenen zijn omdat de doop van zwervende mensen vaak op losse briefjes werd genoteerd. Vaak stond er bij een doopinschrijving van reizigers: “op doorreis”, en/of: “deze mensen zijn zwervers”, en/of: “hier bij toeval geboren”. Erg veel ontzag voor vertegenwoordigers van de Roomse kerk hadden ze niet. Kerkdiefstallen en inbraken in pastorieën waren populair. En toen een groep criminele Walen in Gelderland gehangen zou worden in 1804, bespuugden zij de pastoor die er voor hun zielenheil bij was gehaald van onder tot boven.

criminaliteit:

Niet alle personen binnen het netwerk maakten zich schuldig aan diefstal of gewelddadigheden (of werden daarop betrapt). Criminaliteit was een middel om in het levensonderhoud te voorzien, voor de meesten was het geen doel op zich. Men wist maar al te goed welke zware straffen er stonden op diefstal, de meesten zullen ooggetuigen zijn geweest van geselingen, brandmerken, tepronkstellingen en ophangingen. Uiteraard waren ze in de ogen van de autoriteiten sowieso al crimineel vanwege landloperij en vagebonderen. Ook ongehuwd samenleven was verboden. Er was dus altijd wel een stok te vinden om de hond te slaan.

Impressie van de kluwen van onderlinge relaties

Om te beginnnen met de familie Loues: Anne Loues, de zus van bovengenoemde Severain Loues was geboren in Housse. Zij liep eerst met Matthieu Mawet uit Jupille [beticht van zware mishandeling, doodslag, diefstal met braak, in 1787 in keizerlijke dienst, vriend en complice van Jacques Vignette uit Herstal, zie onder], daarna met Joseph Dupont uit Luik [beticht van medeplichtigheid aan vele diefstallen en overvallen]. Dit was de zoon van Toussaint Dupont die in Luik leefde van de opbrengst van de dieverijen van zijn zoon. Joseph Dupont en Remi Merlin waren beiden grenadiers in dezelfde eenheid van Grenier geweest. Remi Merlin uit Stavelot leefde samen met Catherine Dupont alias Barbieto uit Luik, een gegeselde en gebrandmerkte dievegge. Hij had haar messneden in het gezicht toegebracht. Joseph Dupont, Remi Merlin, Severain Loues en Matthieu Mawet werkten vaak samen bij hun criminele activiteiten. De broer van Remi was François Matthieu Merlin uit Stavelot, met zeer veel inbraken op zijn kerfstok en maar liefst vier uitbraken uit gevangenissen. Hij leefde samen met de stelende Margine Begon uit Chauquix, die later de bijzit werd van Martinus Wendriks, een vermaarde criminele landloper uit Geel die in 1788 zelfmoord pleegde in het tuchthuis van Breda. Wendriks was dragonder geweest net als Thomas Boutiers. Margine’s zus Catherine Begon was in Brussel gegeseld en zat in Vilvoorden in het tuchthuis. Zij liep met Jean Michel alias le Causier die onder ander met Thomas Boutiers gestolen had. De andere bijzit van François Merlin was Catherine Closse geweest, die veel diefstallen pleegde en in Gent gegeseld was, en in Brussel uit de gevangenis ontsnapte. Zij had meer criminele partners gehad: Jean Delfallig alias Rooie Jan, diens zoon Joseph d’Heur en Jean Pirard alias Capucin, die door Gaspar Boutiers doodgestoken werd. Severain Loues zelf leefde ruim twintig jaar samen met Marie Catherine Coune (uit Mortier, net als de familie Boutiers), wier broer Joseph ook hoog op de wanted-lijst van de Luikse justitie stond. De dochter van Joseph Coune, Pieternel, zwierf en stal met de zussen le Clercq en was medeplichtig aan inbraak/diefstal samen met Margaretha, de dochter van Huibert Rouffos. Deze Huibert Rouffos uit Luik had bij een uitbraak uit een gevangenis een brigadier met een sabel gedood, en zijn zwager had hij doodgestoken. Hij werkte veel samen met Lambert Martin alias le Grand Liègois, die ook wel met Gaspar en Thomas Boutiers uit stelen ging. Matthieu Mawet die de eerste partner van Anne Loues was, had een broer die François Joseph heette, geboren in Jupille. Hij had als bijzit Agnes (“Nannes”) le Jeune uit parochie Ste Marguerite bij Luik, waar ook Joseph Ponsard geboren werd. Zij werd beticht van winkeldiefstallen en vagabonderen. Joseph Ponsard kreeg in 1802 levenslange tuchthuisstraf vanwege medeplichtigheid aan diverse gewelddadige overvallen. De tweede bijzit van François Mawet was Marie Agnès Etienne uit Hozémont. Zij ging later met Jean Massin, zoon van ene Gerard die in 1787 in Roosendaal opgehangen werd) reizen, terwijl ze haar kinderen achterliet bij de eveneens Waalse reizigster Elisabeth Reik in de Meijerij. Elisabeth Reik kwam uit een beruchte familie uit Luik, ze zou betrokken zijn bij kindermoord en een gruwelijke moord die ze samen met haar broers gepleegd zou hebben. De gehangen Gerard Massin had o.a. met “petit” Mathieu Salaman uit Housse samengewerkt, die met veel landlopers banden onderhield en in het Brabantse voet aan de grond had doordat de zus van zijn vriendin met een boef uit Chaam ging, die Tist van den Born heette, waarmee hij veel diefstallen pleegde. Zijn vriendin Catherine le Roux uit Hasselt was doopgetuige bij het kind van Joseph Dupont en bij het kind van Matthieu Matray (zie onder). Louis Ponsart, de neef van bovengenoemde Joseph Ponsard, [beticht van vele dieftallen en overvallen, en moord] uit parochie Ste Marguerite in Luik trouwde wél, en maar liefst twee maal met dezelfde vrouw, een maal in Halsteren in 1772, en eenmaal in Herstal in 1776. Deze Françoise Matray had een broer, Matthieu Matray, die nauw met Louis samenwerkte om in te breken, als hij niet met zijn viool door het land ging. Hij had zelfs een vagebond neergestoken om zijn zwager Louis te verdedigen. Een zus van Françoise en Matthieu was getrouwd met Didik Henrard uit Herstal, die ook een lang gezochte persoon op de lijst van de Luikse justitie was. Matthieu’s tweede vrouw Nannes Rosier uit Waremme had eerder met Jacques Vignette uit Herstal gezworven. Deze Jacques Vignette werd geëxecuteerd in Brussel vanwege vele dieverijen. Zijn zus Anne Marie Vignette trouwde met Theodore Baldome uit Eupen die met de viool kermissen af liep. Dit is een zeer incomplete opsomming, maar geeft je een idee hoe men aan elkaar gerelateerd was door familiebanden, vriendschappen en samenwerkingen.

Dit is een vervolg met voortschrijdend inzicht op mijn eerdere artikel Waalse landlopers. Ben je benieuwd hoe ik verder ga inzoomen op de personen in dit netwerk? Houdt deze site dan in de gaten!

Omslag: Mannen, vrouwen en kinderen bij een boom, Johannes Josephus Aarts, 1881 – 1934. Rijksmuseum Amsterdam

Misschien ook interessant...?

One thought on “Het Waalse netwerk van landlopers in de Nederlanden (1787-1811)

Je emailadres wordt niet getoond. Naam en email zijn verplicht