In verwarde toestand in Zeelst

Krankzinnigenbeleid in de 19e eeuw

Het is dit jaar tweehonderd jaar geleden dat koning Willem I zijn handtekening zette onder een besluit, dat de houding ten aanzien van verwarde medemensen definitief zou veranderen. Het zogenaamde “Menschlievend Besluit” verwoordde een nieuw inzicht: krankzinnigen zijn ziek, en zieken kun je proberen te genezen. Het besluit kwam niet uit de lucht vallen gezien de internationale ontwikkelingen, maar was voor Nederland toch heel voortvarend. Want overal in Nederland vond je nog bewaarplaatsen, tuchthuizen, gevangenissen, armenhuizen en hokken waar psychiatrische patiënten vaak onder slechte omstandigheden verkeerden: vervuild, opgesloten en mishandeld. In het koninklijk besluit werd aangekondigd dat al deze tehuizen onder de loep gehouden zouden worden, en dat alleen de doelmatige mochten voortbestaan onder staatstoezicht. De werkelijkheid was weerbarstig, want twintig jaar later constateerden de inspecteurs dat er nauwelijks verandering was gekomen:

“Genoegzaam zij het met een enkel woord te vermelden, dat wij onderscheiden krankzinnigen zagen, die zich naakt in morsig stroo in eene verpestende atmospheer onder een deken wentelden en bovendien niet zelden geketend waren…” aldus de inspecteurs Feith en Schroeder van der Kolk over hun rondgang in 1837 (Nederlandse Staatscourant, 05-01-1849).

In 1841 werd de Eerste Krankzinnigenwet aangenomen. Het belangrijkste doel hierbij was: bescherming van de maatschappij tegen de krankzinnigen. Belangrijke speerpunten waren dat er een splitsing gemaakt moest worden tussen geneeskundige gestichten en bewaarplaatsen (voor mensen met ongeneeslijke/aangeboren aandoeningen). Opname kon geschieden op verzoek van de patiënt, familie of de officier van justitie, maar altijd met toetsing door de rechtbank (rechterlijke machtiging). Na drie jaar krankzinnigheid werd iemand onder curatele gesteld. In 1884 zag de Tweede Krankzinnigenwet het licht. Hierbij werden de provincies aangewezen als zijnde verantwoordelijk voor voldoende capaciteit. Verder mochten kantonrechters voortaan ook machtigingen afgeven, en kregen burgemeesters meer bevoegdheden. De vaste curatelestelling werd afgeschaft.

Overigens: voor wie aanstoot neemt aan het woord krankzinnige, het was in de negentiende eeuw de gangbare aanduiding voor mensen met een psychiatrisch ziektebeeld, ook in officiële stukken. In Vlaanderen sprak men ook van zinnelozen. Voor mensen met een verstandelijke beperking gebruikte men het woord idioten.

Zorg in Zeelst

Hoe was de medische zorg geregeld in een dorpje als Zeelst, in de negentiende eeuw? Kort gezegd: die was er niet. Er was geen dokter in het dorp. Wel was er begin negentiende eeuw een vroedvrouw, maar toen die stierf was er geen opvolgster. Daarna was de enige persoon met noemenswaardige medische kennis een paardendoctoresse/veeartse. Deze opmerkelijke jonge vrouw, Catharina Merkelbach, werd echter in 1865 uitgeschreven naar Peer in België. Uit processen-verbaal van de burgemeester weten we dat hij kennis had van “levensreddende handelingen”. Wie meer structurele zorg nodig had en weinig geld bezat moest naar het gasthuis in Eindhoven of bidden dat de kwaal over zou gaan. Wie geld had kon natuurlijk kiezen waar en hoe hij/zij zich liet behandelen. Bij Zeelstenaren met psychische aandoeningen hing de zorg ook sterk af van de aan- of afwezigheid van financiële middelen. Wie voldoende middelen had kon zorg inkopen of kiezen waar en hoe men verpleegd wilde worden, bijvoorbeeld in een kleinschalige inrichting als Huize Padua in Boekel, of in gezinsverband in Geel (België). Arme mensen waren afhankelijk van de medewerking van de gemeente, omdat die de kosten moest dragen als gemeente van onderstand. Wanneer familieleden van een arme krankzinnige aan de bel trokken bij de gemeente, maakte de gemeente een geheel eigen afweging of iemand opgenomen moest worden: een kosten/baten analyse. De gezondheidstoestand van de patiënt speelde hier geen rol in. Men overwoog puur de eventuele overlast of gevaarzetting en of die opwoog tegen de verpleegkosten. Wanneer iemand via de gemeente opgenomen werd, was dat in de goedkoopste gelegenheid in Noord-Brabant: het godshuis Reinier van Arkel in Den Bosch. Na 1870 werden krankzinnigen uit Zeelst ook ondergebracht in het gesticht Coudewater te Rosmalen, maar toen in 1885 krankzinnigengesticht Voorburg in Vught geopend werd, moesten alle “arme krankzinnigen” daarheen – Voorburg was namelijk nog goedkoper. De verpleegkosten bij deze drie grote gestichten bedroegen f 150 tot f 175 per jaar, waarbij de gemeente per patiënt een subsidie van f 40 kon krijgen.

De Zeelster zinnelozen

Ik heb in de gemeentelijke archieven van Zeelst en historische kranten twaalf Zeelstse krankzinnigen gevonden. Het is goed mogelijk dat er meer waren, maar daarbij zal de gemeente geen rol hebben gespeeld. Hun geschiedenissen bewijzen dat de gemeente pas actie ondernam wanneer er gevaar dreigde. Bij patiënten met minder in het oog springende aandoeningen wimpelde de gemeente de zorg af. Het lijkt erop dat met name bij vrouwen de ernst van hun aandoening niet goed werd ingeschat, ook niet door hun onmiddellijke omgeving. Dit had soms tragische gevolgen. Zo sprong Willemina Donkers, moeder van kleine kinderen en vrouw van boer Lambert van den Wildenberg in 1852 in de put bij hun boerderij, nadat ze al twee jaar “van haar zinnen beroofd was”. Ze kon er niet meer uit worden gehaald voor ze verdronken was. Ook Johanna de Lauw, vrouw van Antonie van der Weijden op Cobbeek, bleek zichzelf verdronken te hebben, nadat zij ’s nachts uit het huis gelopen was. En Petronella Lotthrinkx, moeder en huisvrouw van de zieke Jacobus Louwers in de Biezekuilen hing zich op een morgen in februari aan haar schortbanden op, op de zolder van haar huis, in 1888. Ook zij leed al “enige tijd aan verstandsverbijstering”. De gemeente trad wel op bij Anna Baselmans, omdat zij een gevaar voor haar omgeving ging vormen. In 1842 kwamen mensen over haar klagen. Ze had zonder aanleiding een man ter aarde neergeslagen op de Heuvel, en stichtte als kostganger steeds brand in haar kamer, waardoor ze haar huisgenoten in gevaar bracht. Ik heb geen correspondentie met een verpleeginrichting gevonden, daarom vermoed ik dat haar familie (die in West-Brabant was) zich over haar ontfermd heeft. Ze komt namelijk niet voor in de patiëntregisters van Den Bosch. Wel is ze onder curatele gesteld in 1843. Veel mensen die eenmaal opgenomen werden in een gesticht, bleven daar tot hun (vaak voortijdige) dood. Waarom dat was is speculeren: misschien hadden ze al een slechte gezondheid. Ik vermoed dat het gemeentebeleid om pas tot opname over te gaan wanneer het echt niet anders meer kon ook de genezing van patiënten niet heeft bevorderd.

De Zeelster zonderling en het falen van de gemeente

Jacobus de Greef, de zonderling waarover ik al meer geschreven heb, die door iedereen Jan van Brussel werd genoemd, was niet gevaarlijk. Hij had aanvankelijk alleen kortdurende periodes van verwarring waarbij hij godsdienstige hallucinaties had, buiten die periodes functioneerde hij normaal. Hij was al 1873 en in 1876 in krankzinnigengestichten opgenomen – beide keren op initiatief van burgemeesters van andere gemeenten. De eerste keer werd hij na enkele weken door zijn familie opgehaald, de tweede keer werd hij na drie maanden als zijnde

the prison courtyard
Vincent van Gogh – binnenplaats van een gevangenis (1890)

hersteld op proef ontslagen. De burgemeester van Zeelst was en bleef van mening dat Jan alleen maar lui en lastig was, en zich als krankzinnig voordeed om gratis verteringen te doen. Al in 1877 drong de gemeente er bij Justitie op aan dat hij voor geruime tijd naar “de koloniën” (bedoeld werden de veenontginningen in Drenthe bedelaars en landlopers te werk gesteld werden) zou worden gestuurd zodat hij zou leren wat werken was en zijn slechte manieren zou afleren. Voor kleine vergrijpen, zoals boompjes kappen of eikels afschudden, werd hij steeds vaker en voor steeds langere periodes cellulair opgesloten in de gevangenis van Den Bosch – mede door de consequent negatieve inlichtingen vanuit Zeelst aan Justitie. Jans psychische gezondheid verslechterde. Hij bedelde steeds meer om aan de kost te komen. In de wijde omtrek van Zeelst was hij bekend en het lijkt erop dat hij een hoge gunfactor had: toen hij in 1881 door de marechaussee aangehouden werd voor bedelarij in Oostelbeers had hij al maar liefst vijfentwintig boterhammen, tabak en meel bij elkaar gesprokkeld. Na deze arrestatie beraadde de rechtbank zich over opzending naar een bedelaarsgesticht. De de procureur-generaal drukte zijn twijfel over deze voorgenomen opzending uit in een briefje aan Zeelst. Hij meende dat het niet de goede plaats was voor deze man, dat hij alleen “verslimmerd” zou worden, omdat hij op iedereen “de indruk maakt van zonderling te zijn”. Hij wilde graag bevestiging van Zeelst. Maar Zeelst hield voet bij stuk. Na een jaar in de Ommerschans kwam Jan inderdaad verslimmerd terug. De burgemeester van Eindhoven stuurde in 1883 een schrijven naar Zeelst, dat duidelijk maakt hoe erg het inmiddels met Jan gesteld was:

Deze dagen zwierf in deze gemeente rond zekere Van Brussel uit uwe gemeente, die door zijne zonderlinge wijze van handelen de aandacht der straatjeugd zoodanig op zich trok, dat de politiebeambten tusschen beiden zijn moeten komen om hem van verdere bespotting te vrijwaren. Voor mij gebragt, sprak hij zulke wartaal, dat ik er uit heb moeten besluiten, dat de man niet bij zijn zinnen is. Ik heb het noodig geacht UEA (U Edelachtbare) hiermede in kennis te moeten stellen, en U in overweging te geven, of het niet wenschelijk ware dat hij in een Krankzinnigengesticht werd geplaatst. Zoo hij in dusdanigen toestand weder in deze gemeente mogt worden aangetroffen, zou ik mij verpligt achten zijne plaatsing in een gesticht voor krankzinnigen te provoceren.

Maar nog steeds gaf de gemeente Zeelst niet-thuis. Vader Christiaan de Greef ging maanden later zijn beklag doen bij de rechtbank van Eindhoven omdat de gemeente nog steeds alle medewerking weigerde, zelfs nadat Jan zijn woning deels vernield had. Maar inmiddels was Jan alweer wegens bedelarij berecht en opgezonden naar de Ommerschans. Van daaruit werd hij al na korte tijd doorgezonden naar het net geopende Rijkskrankzinnigengesticht in Medemblik. Zijn verwarde toestand was inmiddels chronisch geworden. Er volgde een juridische strijd met de gemeente Zeelst, die niet als gemeente van onderstand wilde fungeren, omdat Jan volgens de gemeente immers niet meer in Zeelst woonde. Want hij zwierf, en bovendien was hij laatstelijk in de Ommerschans, dus moest dat als zijn woonplaats gelden. Tenslotte werd er in een koninklijk besluit bepaald dat Zeelst wel degelijk verantwoordelijk was voor de verpleegkosten. Onmiddellijk zorgde de gemeente ervoor dat Jan naar het gesticht Voorburg in Vught werd gebracht, omdat dat goedkoper was dan Medemblik. Na een aantal jaar in Vught overleed hij daar op vierenveertigjarige leeftijd, in 1892.

Razende vrouwen

Behalve Jan van Brussel heb ik nog twee mannelijke krankzinnigen gevonden, maar het

August_Allebe oude vrouw met haar kat
August Allebé: Oude vrouw bij de haard (detail)

merendeel van de psychiatrische patiënten van Zeelst was vrouwelijk. In de gemeentelijke archieven vond ik correspondentie uit 1854 over Johanna Maria Senders, huisvrouw van Reinier Bijnen. Zij leed aan mania furibunda, of te wel razende manie, “kenbaar uit de aanvallen van woede waardoor zij wordt overvallen bij de minste aanraking of toespraak, gepaard aan een meestentijds bestaande verwarring van denkbeelden”. Ze werd sinds 30 januari 1854 verpleegd in het Reinier van Arkel Gesticht aan het Hinthamereinde in Den Bosch. In 1863 overleed zij daar. Ze was slechts vijfenvijftig jaar oud geworden. Eerder noemde ik al Anna Baselmans, die op de openbare weg een kerel ter aarde had geslagen. Maar Johanna Maria Senders en Anna Baselmans waren niet de enige razende vrouwen in Zeelst. In 1877 kwamen de veldwachter en de klompmaker Franciscus van Keulen bij de burgemeester. Ze verklaarden dat Hendrina van Keulen, echtgenote van Johannes Sweegers, in een krankzinnigengesticht moest worden opgenomen in het belang van de openbare orde en de veiligheid van personen. Want a) zij zou zelfmoord willen plegen, of b) haar bewaarders hinderen of willen vermoorden. Uit het woordje “bewaarders” kunnen we afleiden dat ze al langer verward was en voortdurend begeleid of bewaakt moest worden. Ze is naar Coudewater in Rosmalen gebracht en stierf daar op 25 september 1880, 61 jaar oud.

Arme Krankzinnigen

Zeelst had enkele Behoeftige Krankzinnigen voor wie de verpleegkosten jarenlang door de gemeente betaald werden.

  • Antonetta van Lieshout – zij werd verpleegd sinds 1866. In dat jaar werd zij ook onder curatele gesteld. Ze overleed op vijfenvijftigjarige leeftijd in Coudewater in 1880. Ze was ongehuwd.
  • Johannes van Moll – hij werd sinds 1872 verpleegd in Coudewater, later in Voorburg in Vught. In 1876 werd hij onder curatele gesteld. Hij was gehuwd met Hendrika van der Heijden en overleed in Vught in 1912. Toen was hij vijfenzeventig jaar oud. Johannes had een neef in Veldhoven die ook verpleegd werd in Coudewater. Over hem kwam ik het volgende tegen: J.v.M., 29 j., geh., g.k., R.K., wever, Veld…. opgen. 13 Mei 1873. Zeer bedaard en goed van karakter, braaf opgevoed, gering van verstand, maar genoeg om de kost te verdienen, maakt nooit misbruik van sterken drank. Zijn neef van denzelfden naam werd van 8 November 1872 tot 30 Nov. 1885 (toen hij in dementen toestand naar Voorburg werd overgebracht) alhier verpleegd.
  • Wilhelmina Tops – zij werd verpleegd sinds 1874. Ik heb haar niet gevonden in de patiëntenregisters, maar ze is gewoon thuis in Aalst overleden op tweeënzeventigjarige leeftijd. Ze was toen al weduwe van Paulus van Lieshout.

Curatele

Van twee personen heb ik krantenartikelen gevonden met betrekking tot hun curatele: 1841 Johannes van Rooij en in 1866 Johanna Maria van der Meeren. De gemeente heeft verder geen rol gespeeld bij hun eventuele verpleging. Het kan ook goed zijn dat deze personen niet krankzinnig waren, maar een verstandelijke beperking hadden.

Was Zeelst uniek?

Zeker niet. Alle gemeenten hadden hun psychiatrische patiënten en alle gemeenten waren terughoudend (om niet te zeggen bijzonder gierig) als het ging om betalen. Maar zeker niet alle gemeenten gingen zo ver dat ze een geschil over verpleegkosten tot aan de Raad van State brachten. Het leuke en misschien ook wel bijzondere van de gemeente Zeelst is dat er zoveel correspondentie bewaard is gebleven, zelfs tot en met kladversies van brieven die daadwerkelijk verzonden zijn, interne notities en duplicaten van intakeformulieren. Wat ik ook wel bijzonder vind zijn de vrouwen van Zeelst, want gek of niet gek: het waren in elk geval kordate dames.

Meer lezen?

Religieuze monomanie, de diagnose die de Zeelster zonderling kreeg, was niet heel uitzonderlijk. Hier kun je lezen over Barbara Somers uit Budel, hier over Clasina Gubbels in Giersbergen. Meer over het gesticht Coudewater lees je hier en hier. Zelf onderzoek doen naar krankzinnige voorouders? Lees hier wat tips! Ik heb hier ook iets geschreven over cellulaire opsluiting in gestichten.

Tenslotte: abonneer je vooral op mijn blog, dan mis je in het vervolg niets meer! Ook blijf je op de hoogte van de Zeelster zonderling, over wie een boek in de maak is. Ik hou me van harte aanbevolen voor aanvullingen en reacties.

Bronnen

  • Omslagafbeelding: Jeroen Bosch – De Keisnijding
  • Regionaal Historisch Centrum Eindhoven, o.a.:
    • 15384 Gemeente Zeelst, 2747 Stukken betreffende verpleging van krankzinnigen in inrichting en de kosten daarvoor ten laste van de gemeente
    • 15384 Gemeente Zeelst, 2748 Stukken betreffende opname en verpleging van bedelaars in bedelaarsgestichten en verrekening van de kosten met de gemeente
  • BHIC: criminele vonnissen
  • Delpher.nl historische kranten over krankzinnigenwetten
  • Verslag van het Geneeskundig Gesticht voor Krankzinnigen “Coudewater” te Rosmalen over het vijftienjarig tijdvak, van 1870-1885, door L.Th. Pompe en F.J. van der Kroon
  • Erfgoedshertogenbosch.nl overlijdensakten en patientregisters
  • Felixarchief Antwerpen: inschrijvingsregister en patiëntregisters Zinnelozenhuis

Eén antwoord op “In verwarde toestand in Zeelst”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *