De jacht op de Zeelster zonderling

Het volgende krantenbericht trof ik aan via Delpher.nl. Dit bericht, dat als eerste in de Meijerijsche Courant verscheen, werd ook integraal gepubliceerd in onder andere De Tijd, Het Nieuws van den Dag, Tubantia, Tilburgsche Courant, De Grondwet, Suriname: koloniaal nieuws- en advertentieblad, Bataviaasch Handelsblad, in de periode tussen 23 oktober en 19 december 1882.

“Aan de Meijerijsche Courant wordt uit Zeelst het volgende geschreven: Een arme zonderling alhier, K. genaamd, had zijn bouwvallige hut hersteld met hetgeen hij noemde zijn aandeel in de onverdeelde bossen der gemeente. Vandaar proces-verbaal en veroordeling tot een gevangenisstraf. De delinquent begaf zich echter op de bepaalde dag niet in arrest, en nu verschenen er verleden zaterdag twee marechaussees, om hem in verzekerde bewaring te brengen. K. zag hen in de verte aankomen en schoof de grendel voor de deur. – “In de naam der wet, doe open!” – “Wie bennen de heren?”- “Wij zijn de politie”- “Jullie met de beiden? En de bewijzen daarvan? “ – De beide marechaussees wezen op hun kolbakken en op hun wapenrusting. –hut van mie peels “Geen bewijs” meende K. “Zo’n pakje konden ze wel bij een oude kleerkoper gekocht hebben, hij zelf had ook wel iets dergelijks op zolder liggen.” De agenten van politie verwijderden zich en keerden een half uur later terug, ditmaal vergezeld van het hoofd der gemeente. Nu rees er echter bij K ook twijfel op omtrent de identiteit van de burgemeester; hij was er o.a. volstrekt niet zeker van of deze wel herbenoemd was, en weigerde opnieuw audiëntie te verlenen. Het hoofd der gemeente plaatste zich vòòr het raampje der hut, hing zijn medaille om, en – een poosje daarna opende de broer van de delinquent de deur. De beide marechaussees traden binnen, maar K. was nergens meer te vinden. Zij zochten op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen: te vergeefs. Eindelijk… daar horen zij een verdacht gestommel in de schoorsteen, zij ijlen om strijd vooruit, staren naar boven, en – jawel, daar klinkt een stem uit den hoge: fermez la porte, Heren! gevolgd door een lawine van roet, zoals er wellicht nog nooit een op het hoofd van twee gendarmes was neergedaald. En terwijl de “heren” vergeefse pogingen deden, om uit hun ogen te zien en zich uit de vreselijke wolk los te worstelen, klonk het alweder: fermez la porte, fermez la porte! totdat ten laatste een van beiden althans er in slaagde de vierde repetitie onder de vrije hemel te ontvluchten. De burgemeester, die buiten gebleven was, herkende de dappere niet meer… quantum mutatus ab illo!… Een zoon van den Nacht! .. Doch slechts kort duurde de verbijstering, en de jacht werd hervat. Het uniform behoefde nu niet meer gespaard te worden, een der marechaussees zou in de schoorsteen opstijgen en de delinquent arresteren. Dit ging echter zo gemakkelijk niet, K. ontweek naar boven op het dak, en toen ook de kolbak van de marechaussee zich dreigend uit de schoorsteen verhief, liep de vervolgde over de vorst van zijn hut naar de aangrenzende woning en daalde in de schoorsteen van zijn buurman af. Al spoedig echter bemerkte K. dat hij nu zowel van onder als van boven belegerd werd, nog geruime tijd handhaafde hij zich op gelijke afstand van de beide uitersten, totdat de marechaussee, die aan het benedeneinde had post gevat, op zijn beurt een bewijs gaf van klimmende dienstijver, en hem in het juste milieu in arrest nam op de 14e dag van Wijnmaand 1882.”

Deze K. was Jacobus de Greef, in de wandeling Jan van Brussel genoemd, geboren in Zeelst op 17 mei 1847, overleden te Vught op 20 januari 1892. Wat aan deze anekdote voorafging: Jacobus was net teruggekeerd uit de strafinrichting Ommerschans, toen hij samen met zijn broer betrapt werd op het “arglistig en in vereniging” kappen van wel 50 boompjes per persoon, waarmee hij de bovenbeschreven hut wilde opknappen. Hij had verstek laten gaan bij de terechtzitting in augustus van dat jaar, waarbij hij tot een maand gevangenisstraf in eenzame opsluiting werd veroordeeld. Hoewel de deurwaarder hem een explooit van het vonnis had uitgereikt, meldde hij zichzelf niet om de straf te ondergaan, zodat hij tenslotte opgehaald werd.

En hoe het verder ging? Nadat de marechaussee hem uiteindelijk overmeesterd had, werd hij op 15 oktober (wijnmaand) 1882 ingeschreven in de strafgevangenis van ‘s-Hertogenbosch. Op 13 november 1882 werd hij weer in vrijheid gesteld.

***

Meer lezen over Jacobus de Greef? Lees bijvoorbeeld dit verhaal.

Foto: koninklijke Nederlandse marechaussee, 1896. Het Geheugen van Nederland

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *