Wat genealogen kunnen leren van antropologen

“Oh, een bastaard!” Een glunderende Ruben Nicolai in Verborgen Verleden trof een Duitse voorouder die geregistreerd was als “unehrlich gezeugt worden”. “Nu gaan we het hebben!” Hij verkneukelde zich over zijn losbandige voorouders. Maar waren die wel echt zo losbandig, of is dat het idee dat wij tegenwoordig hebben over “vroeger”?

Franz Boas inuit
Antropoloog Franz Boas (linksboven) bij de inuït in Noord-Canada, circa 1887

Een antropoloog probeert sociale verbanden van mensen en hun functioneren binnen andere culturen te bestuderen. Elke antropoloog kent de valkuil van het etnocentrisme: het centraal stellen van je eigen cultuur, en daarmee het interpreteren van feiten en gebeurtenissen uit andere samenlevingen naar je eigen culturele normen en waarden. Voor een antropoloog is de grote uitdaging het etnocentrisme te vermijden, zodat de mensen in andere culturen met een open houding bestudeerd worden. Net als een antropoloog zou je je als amateurhistoricus bewust moeten zijn van je eigen normen en waarden en daarmee je vooroordelen. Als je die onderkent, kun je voorkomen dat je feiten en gebeurtenissen uit andere tijdperken naar je huidige normen en waarden interpreteert. Ik vind eracentrisme wel een mooi woord voor dit euvel van het centraal stellen van je eigen tijdperk.

Een antropoloog heeft overigens een groot voordeel tegenover een (amateur-)historicus of genealoog; hij kan bij de bestudeerde groep gaan leven, meedoen met het dagelijks leven en meeleven bij feestelijke evenementen en rouwrituelen. Participerende observatie is voor antropologen een gebruikelijke onderzoekstechniek.

Margaret Mead
Antropologe Margaret Mead in Samoa, circa 1928

Stamboomonderzoek daarentegen is alsof je met een zaklampje op een klein detail van een overigens verduisterd schilderij schijnt. Probeer dan maar eens te begrijpen wat je ziet. Het is dan zaak de kijkcirkel zo groot mogelijk te maken, zodat je letterlijk een beter beeld krijgt van het leven van je voorouders.

Iemand in mijn omgeving verzuchtte laatst dat je mensen van vruger (voor 1900) toch nooit helemaal zult begrijpen. Ik denk dat dat tot op zekere hoogte wel kan, maar daar zijn drie dingen voor nodig:

  • enige historische kennis
  • enige zelfkennis
  • inlevingsvermogen

Historische kennis is nodig om personen en gebeurtenissen in een breder maatschappelijk kader te kunnen plaatsen. Kennis van lokaal erfgoed is hierbij minstens zo belangrijk als de politieke geschiedenis van het betreffende tijdperk. Zelfkennis is belangrijk om je eigen vooroordelen te onderkennen. Je moet je realiseren dat wat in jouw samenleving als normaal of afwijkend wordt beschouwd niet per se in andere tijden of culturen ook als normaal of afwijkend wordt beschouwd. En inlevingsvermogen is nodig, zodat je je kunt verplaatsen in de mensen van toen, ook wanneer hun bestaan en hun levenshouding totaal verschillend is dan dat van jou.
Een aantal voorbeelden:

  • Analfabetisme. Het is voor ons, lezende en schrijvende mensen in het digitale tijdperk, moeilijk voor te stellen hoe beperkt je leven is als je geen toegang hebt tot geschreven teksten. Wetten, verordeningen en regels, actuele gebeurtenissen, godsdienst, politieke propaganda, vernieuwende ideeën…, een analfabeet kan het alleen via geletterde sprekers tot zich nemen. Daarbij is hij altijd afhankelijk van wat die sprekers met hem wíllen delen. En voor het actief deelnemen aan de maatschappij, bijvoorbeeld het verrichten van financiële of notariële transacties of het communiceren met mensen buiten de directe leefomgeving, moet hij anderen in vertrouwen nemen die het voor/namens hem kunnen doen. Waar een analfabeet tegenwoordig gebruik kan maken van telefoons, televisie, radio, computers en andere (digitale) hulpmiddelen, had een analfabeet dit vroeger niet tot zijn beschikking. Er zijn wel aanwijzingen dat mensen in analfabete culturen vaak meer en beter onthouden. Toch zijn meer abstracte wetenschappelijke, godsdienstige en filosofische ideeën heel wat moeilijker te behappen zonder ondersteuning van geschreven tekst, en zorgde de afhankelijke positie voor een erg kwetsbare positie in de maatschappij.
  • Buitenechtelijke kinderen. Het aantreffen van buitenechtelijke kinderen in de stamboom roept vaak een mengsel van fascinatie en medelijden op. Er is een associatie met losbandigheid, alsof de voorouders zich niet konden beheersen. En het is natuurlijk de vrouw die met de bewijzen van die losbandigheid in de vorm van een zwangerschap te koop loopt. Anderzijds voelt men wel medelijden met het alleenstaande moedertje. Men heeft vaak het idee dat ze misschien misbruikt is, of verstoten zal zijn door de gemeenschap, samen met haar kind. Een kind laten verdwijnen was een wanhoopsdaad die zwaar bestraft werd, zoals je hier kunt lezen. Maar niet in alle kringen was het hebben van een voorkind zo’n grote schande als wat mensen nu denken. In sommige families werd het als een bewijs van vruchtbaarheid gezien als een vrouw eerst moeder werd voordat ze trouwde. Er moest dan natuurlijk wel een voortdurende relatie zijn met de verwekker. De preutse kerkelijke normen in het zuiden van Nederland dateren pas van de tweede helft van de negentiende eeuw. Vooral op de ongeletterde bevolking hadden de katholieke normen en waarden heel wat minder grip dan we geneigd zijn te denken. In Zeelst bijvoorbeeld waren er veel vrouwen in de laagste klasse die pas na een of meerdere kinderen met hun partner in het huwelijk traden. Tijdens het huwelijk werden de kinderen dan in een moeite door erkend.
  • Criminaliteit. Veel feiten die vroeger strafbaar waren, zijn dat tegenwoordig niet meer, en vice versa. Het aantreffen van een voorouder die in de gevangenis heeft gezeten is uiteraard aanleiding om het uit te zoeken. Er is echter geen reden om meteen aan te nemen dat het een slechterik is. Als ongeletterde arme donder liep je al gauw het risico een “crimineel” te worden. Ik heb bijvoorbeeld een voorouder die een terrein overstak waarop een spoorlijn aangelegd werd. Dat was kennelijk verboden, maar hij kon niet lezen. Hij kreeg aanvankelijk voor die overtreding alleen een boete, maar doordat hij de boete niet kon betalen, kwam het tot een vervangende gevangenisstraf van enkele dagen. Als hij niet én analfabeet én arm was geweest, zou zijn naam niet in de gevangenisregisters terecht zijn gekomen. Dit geldt voor tamelijk veel personen in gevangenisregisters.
  • De mythe van het nucleaire gezin. Een nucleair gezin is een gezin dat op een plek woont en bestaat uit een man, een vrouw en kind(eren). Dat een gehuwd stel een kind krijgt, betekent niet automatisch dat het kind bij die ouders opgroeit en dat die ouders met het kind in een huis samenleven. Vroeger woonden grootouders, ouders en kinderen ook wel bij elkaar. Dat wordt in de antropologie wel “the extended family” genoemd. Wat ook voorkwam was dat kinderen opgevoed werden door grootouders of andere familieleden, terwijl de ouders afwezig waren. Het kwam ook voor dat een van de ouders (meestal de vader) in bepaalde periodes/seizoenen elders werkzaam en woonachtig was. De consequentie is dat ouders niet noodzakelijkerwijs de belangrijkste opvoeders waren van kinderen. Deze informatie is vaak niet eenvoudig te vinden, maar het ontbreken van die informatie betekent niet dat je zonder slag of stoot uit moet gaan van een nucleair gezin. Vaak kun je aanwijzingen vinden in het kadaster of bevolkingsregisters. Vaak is een tijdelijke migratie in de plaats van herkomst niet geregistreerd, en stuit je bij toeval op zo’n arbeidsmigrant. Ik kwam zo bijvoorbeeld een familielid tegen in de Belgische vreemdelingenregisters.
  • Katholicisme. In Noord-Brabant was bijna iedereen Rooms katholiek. Men hield zich in hoofdlijnen aan de katholieke regels, maar met name in analfabete families was men voor het kennen en naleven van die regels aangewezen op de kwaliteit van de pastoor. Kennis over de officiële leer werd aangevuld met volksgeloof. Votiefgaven, legendes, bedevaarten, wegkruizen, de verering van relikwieën maar ook de Brabantse dodenwakes zijn allemaal uitingen van volksgeloof.
  • Krankzinnigheid. Bij stamboomonderzoek kun je stuiten op familieleden die in dolhuizen of krankzinnigengestichten werden opgeborgen. Voordat je vreest erfelijk belast te zijn, even een relativering: dat er destijds relatief veel mensen opgeborgen werden in gestichten betekent niet dat er vroeger zo veel meer mensen met een psychiatrische aandoening waren. Velen kwam er door een samenloop van droevige omstandigheden in terecht. Het aantal krankzinnigverklaarden zegt iets over hoe een samenleving aankijkt tegen mensen die het niet lukt te functioneren
    Nellie_Bly_2
    Nelly Bly, een van de eerste undercover journalisten

    in die samenleving. In de negentiende eeuw, een tijd van industrialisatie, waarbij plattelandsbewoners massaal onder slechte omstandigheden lange dagen in fabrieken gingen maken, vielen mensen in grotere getale uit dan voor de industriële revolutie, toen het arbeidstempo lager lag en de arbeidsomstandigheden nog omkleed waren met familiariteit. De omstandigheden en behandelmethoden in de gestichten hielpen niet erg om die uitvallers te stabiliseren. Een interessant inkijkje in een krankzinnigengesticht in New York geeft Nelly Bly in haar Ten Days in a Mad-House (New York, 1887, rechtenvrij o.a. hier te lezen of via Google books). Een andere verklaring voor het gegeven dat er vroeger meer mensen werden opgesloten wegens krankzinnigheid was syfilis. Syfilis was een veel voorkomende geslachtsziekte.  Chronische, onbehandelde syfilis kon neurologische symptomen geven als depressie, desoriëntatie en dementie. Artsen herkenden de oorzaak meestal niet, zodat syfilispatiënten dezelfde behandeling kregen als “echte” psychiatrische patiënten en overige droevige gevallen. Daarnaast werden mensen opgesloten omdat ze afweken van de norm. Omdat het gedrag van vrouwen aan strengere normen onderhevig was, werden die eerder dan mannen “gek” verklaard. Dat zie je ook terug in dit verhaal. Meer lezen over historische psychiatrie? Kijk hier.

The only difference between the sane and the insane is that the sane have the power to lock up the insane. Hunter S. Thomson.

  • Oud is niet per se wijs. Ik weet dat wat ik nu zeg niet bij iedereen positief ontvangen zal worden, maar de eerbied die we voelen voor onze voorouders is lang niet altijd terecht. Ook onze voorouders waren op een bepaald moment jong en dwaas, ze waren koppig en maakten fouten. Er was alcoholmisbruik, er werd geruzied en gevochten, gelachen om schuine moppen, er werden dubieuze regels gehanteerd, kinderen werden mishandeld en erger. Niets menselijks was hen vreemd. Veel deelnemers aan bijvoorbeeld Verborgen Verleden of Who Do You Think You Are bejubelen het doorzettingsvermogen van hun voorouders. Tja… Onze voorouders leidden misschien een ploeterend bestaan, maar dat zegt niet direct iets over hun doorzettingsvermogen. Tenzij je het leiden van een leven an sich als doorzettingsvermogen bestempelt.
  • Publieke vrouwen. In tegenstelling tot wat sommige mensen schijnen te denken gaan vrouwen niet de prostitutie in omdat ze graag scheve schaats rijden. Vroeger was het vaak de combinatie van armoede, gebrek aan sociaal vangnet en kans- en werkloosheid die vrouwen hiertoe dreef. Elders in mijn blog heb ik geschreven over Piet de Mop en Johanna Condaar. Beiden kwamen uit gebroken gezinnen. Dat ze in de prostitutie bleven, ook wanneer het ze financieel beter verging, kan verklaard worden doordat ze daarin wel een sociaal netwerk hadden, namelijk dat van lotgenoten, een redelijk vast inkomen, en vaak ook geen ander middel van bestaan wisten.

Om nog eens de vergelijking met het zaklampje op het kunstwerk erbij te nemen: als je bij stamboomonderzoek alert bent op eracentrisme kun je een veel grotere kijkcirkel verkrijgen. Ik vermoed dat de meeste genealogen het verkrijgen van een genuanceerd beeld van hun voorouders verkiezen boven het verzamelen van zoveel mogelijk namen en data.

Eén antwoord op “Wat genealogen kunnen leren van antropologen”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *