Een steekje los – Anna Maria Senders (Zeelst 1807-‘s-Hertogenbosch 1863)

Inleiding

Dit verhaal past weliswaar in de stamreeks van een Zeelster slag (Catharina Geraerts, vrouwelijke lijn), maar deze moeder-dochterlijn is uitgestorven: Anna Maria’s kleindochter kreeg geen dochters. Toch wil ik het vertellen, omdat er een doktersbriefje bestaat met haar diagnose. Dit is uitzonderlijk en helpt om een beeld te vormen van haar omstandigheden.

Liefde maakt blind?

Misschien viel Renier Bijnen wel op haar onvoorspelbare karakter. Deze jonge vrouw, Anna Maria Senders, was tenminste spannend! Tenminste niet zo’n saaie meid als alle andere dorpsmeisjes. Sommigen noemden haar een lastig portretje, hij vond haar uniek. Ze kon praten als brugman. Hij dacht dat het aan haar intelligentie lag dat hij haar redeneringen meestal niet kon volgen. Ja, ze had woedeaanvallen, maar als ze daarna vrede sloten was hij verliefder dan ooit. Na een woelige verlovingstijd trouwden ze in 1830, Renier en Anna Maria. Hij was vijfentwintig, zij drieëntwintig jaar oud. Ze gingen wonen in een hut in het onvruchtbare buitengebied van Zeelst dat De Kleine Pastorij werd genoemd.

Een jong weversgezin

Renier was al jong wees geworden. Misschien dat hij daarom Anna Maria’s grillen zo gemakkelijk kon accepteren. En de eerste jaren waren best gezellig, ze kregen drie kinderen en genoten van elkaars gezelschap. Maar januari 1835 bracht rampspoed. Het oudste zoontje Jacobus overleed, drie jaar oud, en drie weken later de kleine Lambertus, een zuigeling nog. Anna Maria’s geestelijke gezondheid ging nog meer aan het wankelen. Wel namen Renier en Anna Maria het besluit om hun oudste zoon Hendrik naar school te sturen: hij moest gaan leren. Voor een weversgezin als het hunne een vrij bijzonder besluit! De vijf andere kinderen waren voorbestemd als wevers, spoelders en spinsters te gaan werken, of anders zich als arbeider en dienstmeid te verhuren.

Een furie in huis

Toen het jongste kind vijf jaar werd kon Renier er niet meer om heen: Anna Maria was niet meer te hanteren. Haar verhalen waren zo onsamenhangend geworden! Met geen mogelijkheid kon hij daar nog intellectueel vernuft in ontdekken. Maar bovendien had ze zulke angstwekkende woedeaanvallen dat de kinderen niet meer thuis durfden te komen. Iedereen in de wijde omgeving was bang voor haar. Renier moest de waarheid onder ogen zien: Anna Maria was krankzinnig. Maar wat nu? Hij kon haar niet vierentwintig uur per dag bewaken, er moest ook nog gewerkt worden. Oppassers inhuren of haar uitbesteden kon hij niet betalen. Ook had hij niet de financiële armslag om haar in een instelling te laten verplegen. Hij vroeg de burgemeester om hulp.

De hulpvraag

Sinds 1841 bepaalde de Eerste Krankzinnigenwet dat verwarde personen sowieso niet zomaar door hun naasten in een krankzinnigengesticht konden worden gestopt. Eerst moest zo iemand door een geneesheer onderzocht worden. Op grond van dat onderzoek besliste de rechtbank of opname noodzakelijk was. Zo ja, dan gaf de rechtbank een rechterlijke machtiging af die een jaar geldig was. Daarna moest er elk jaar opnieuw een onderzoek plaatsvinden. Bemiddelde families konden zelf bij de rechtbank een machtiging aanvragen en opname regelen, maar armlastige gezinnen moesten hiervoor een beroep doen op de gemeente. Die kon voor hen de procedure in gang zetten en garant staan voor de verpleegkosten. Natuurlijk deden gemeenten dat niet graag. Burgemeesters waren immers notoir gierig. Ze werkten alleen mee aan zo’n verzoek wanneer het echt heel erg was; wanneer er direct gevaar dreigde voor de omgeving. In het geval van Anna Maria was dit in 1854 duidelijk het geval, maar wie weet hoe vaak Renier al eerder bij de burgemeester voor opname had gepleit. Had Anna Maria stilletjes huilend in een hoekje gezeten, dan had de burgemeester het verzoek van Renier heel waarschijnlijk afgewezen.

Naar ’t Gek Eind

Anna Maria werd razend en tierend naar het Reinier van Arkel krankzinnigengesticht in ‘s-Hertogenbosch gebracht. Dit gesticht bestond al sinds de vijftiende eeuw, het was gelegen aan het Hinthamereind E 26, in de volksmond ook wel ’t Gek Eind genoemd. Het was dé instantie waar Brabantse patiënten die op kosten van hun gemeente verpleegd werden naar verwezen werden. De verpleging was er in handen van religieuzen. De patiënten waren per geslacht en per klasse van elkaar gescheiden. De rijken, die voor hun eigen verblijf betaalden werden verpleegd in luxe kamers met privacy, porseleinen servies en vogelkooitjes. Maar Anna Maria behoorde tot de laagste klasse, de patiënten waarvoor de gemeente betaalde. Ze zal dus in een functionele vrouwenzaal zijn geplaatst, bij de storende of onrustige patiënten, gezien haar ziektebeeld. In de slaapzaal kreeg ze een bed met stromatras toegewezen, met daarnaast een dekenkist voor haar schamele bezittingen. Ze kreeg gestichtskleding aan en werd zo goed en zo kwaad als het kon opgenomen in het regime van gezamenlijk eten en werken. De eerste dagen van haar verblijf bezocht de geneesheer haar dagelijks. Op 20 januari 1854 verklaarde hij schriftelijk dat zij leed aan mania furibunda, oftewel: “Waanzinnigheid, kenbaar uit de aanvallen van woede waardoor zij wordt overvallen bij de minste aanraking of toespraak, gepaard aan een meestentijds bestaande verwarring van denkbeelden.” Hij verklaarde dat ze een gevaar voor haar omgeving, zichzelf of de openbare orde was. Ze moest zeker langer verpleegd worden. De rechtbank verleende vervolgens de gevraagde machtiging om haar “voorloopig” tot 12 februari 1855 een geneeskundig gesticht te doen verblijven.

(tekst gaat verder onder de afbeelding)

Uit de verklaring van de geneesheer van het krankzinnigengesticht

Psychiatrische zorg medio 19e eeuw

De psychiatrie stond nog in de kinderschoenen, maar het Reinier van Arkel was altijd vooruitstrevend geweest. Patiënten werden er niet opgesloten in hokken, maar toegesproken en geobserveerd. De heilzame werking van arbeid was al bekend. Het personeel stimuleerde de patiënten daarom om te werken: vrouwen om te wassen, vouwen, spinnen, strijken, naaien en dergelijke, mannen om manden te vlechten, te weven en te timmeren. Eenvoudige werkjes die ze al kenden, om gedachten te verzetten en handen bezig te houden. Bijkomend voordeel voor het gesticht was dat het hierdoor bijna zelfvoorzienend was. De behandeling bestond vooral uit morele therapie: het vermanend toespreken van patiënten. Qua medicatie vertrouwden de geneesheren op kalmerende middelen zoals laudanum, een op opium gebaseerde tinctuur. Heftige ingrepen als lobotomie en elektroshocks bestonden nog lang niet. Elk jaar evalueerde de geneesheer de toestand van Anna Maria, maar deze bleek niet te verbeteren. Elk jaar beviel hij aan om haar langer te laten verplegen. Overigens was de geneesheer van het gesticht in Den Bosch natuurlijk niet onpartijdig. Het was in het belang van het gesticht om de gemeentelijke patiënten betaalden zo lang mogelijk te behouden. Later ging de rechtbank Eindhoven gebruik maken van eigen geneesheren, die onafhankelijker waren in hun oordeel.

De gevolgen

De kinderen van Renier en Anna Maria hadden een knauw gekregen door hun instabiele jeugd. Zoon Hendrik, het goudhaantje van het gezin, had zwaar geleden. De jongen, die door zijn ouders uitverkoren was om te gaan leren, werd net als alle dienstplichtige weverszonen van Zeelst ingelijfd bij de infanterie in Breda. Hij was twintig toen hij zich soldaat bij de eerste compagnie vierde bataljon van het zesde regiment infanterie mocht gaan noemen. Zijn moeder verbleef toen al vier jaar in het gesticht. We weten het niet, maar het is mogelijk dat Hendrik zich zelfs op zijn dienstplicht verheugd had. Het betekende in elk geval een uitweg uit een omgeving waarin iedereen wist over hun gekke moeder en een ontsnapping aan de ambities van zijn vader. Maar de fysieke afstand betekende niet dat hij psychisch afstand kon nemen van de schimmen uit zijn jeugd. Op 11 november 1858 maakte hij op de kazerne door ophanging een eind aan zijn leven. Anna Maria Senders overleed een paar jaar later, nog steeds in ’s-Hertogenbosch. Ze was pas vijfenvijftig jaar oud. De directeur van het gesticht deed hoogstpersoonlijk aangifte van haar overlijden op 10 januari 1863. Twee jaar later stierf dochter Jacoba ook voortijdig: drieëntwintig jaar, onder onopgehelderde omstandigheden.

De inschrijving van het overlijden van Hendrik in de registers van Zeelst, met de toevoeging: “Hadt zich door ophanging van ’t leven beroofd”.

Meer lezen over Zeelst? Of over historische psychiatrie? Klik op de links.

Omslagfoto:

Krankzinnigen in een interieur De Elven (gesticht Zutphen), Alexander Ver Huell, 1856. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Kattenkwaad

Twee krantenartikelen, een uit 1876 en een uit 1882, vormen de basis voor dit verhaal. Toen ik dit schreef wist ik nog niet dat kermisdwergen ook actief “geproduceerd” werden: door een baby vanaf de zesde maand elk uur jenever te drinken te geven. Dus mijn verhaal had nog gruwelijker gekund… of wàs misschien nog gruwelijker.

Beaupres-sur-Saône, 1882.

“Komt dat zien komt dat zien! De kleine dierentemmer! Een huiveringwekkende act! Spanning en sensatie! Woeste tijgers!” Baas Polanski loopt in een rood galakostuum over de kermis en schalt zijn leus naar de bezoekers. Schele Henri, de kaartjesverkoper, volgt hem op de voet, een kaartenboekje in de hand. Hij heeft het druk. De geldbuidel aan zijn broekband wordt steeds zwaarder.

Prinsesje Pauline oftewel Johanna Paulina Musters uit Ossendrecht

Pierre zit ondertussen in zijn karakteristieke houding – knieën tegen de borst, ellenbogen tegen zijn knieën geklemd, handen voor de ogen – in het vochtige gras naast de wagen van Prinses Mignonne, die eigenlijk gewoon Jeanne Martin heet. Hij leunt tegen de zijkant van het trapje en denkt: ik ben er niet, dit is de droom van iemand anders. Dan voelt hij een harde klap tegen zijn hoofd. “Sta op, je pakje wordt alwéér vies! Heb ik daar mijn best op gedaan. Ik blijf aan het wassen.” Gehoorzaam gaat hij onderaan het trapje staan. Hij klopt onhandig zijn witte hansop af. De pompons schudden ervan. Prinses Mignonne is ook klein, maar altijd nog groter dan hij. Iederéén is groter dan hij. Zij staat op de eerste trede van de trap, in haar handen heeft ze het bakje met witte pasta. Hij ziet het harde kant bovenaan het lijfje van haar jurk bewegen. De jurk is zuurstokroze, maar de randen zijn bruinverkleurd en gescheurd. Hij probeert onopvallend zijn adem in te houden om haar zure lichaamsgeur niet in te ademen. Hij heft zijn gezicht braaf op, de ogen gesloten om haar al te bekende gezicht niet te hoeven zien – de rimpels die haar schmink doen barsten, de gemelijke ogen onder de opplakwimpers, en haar mond – een boze rode streep. Ze heeft haast, want ze moet zo weer optreden. Dan is haar geverfde mond een zoete glimlach, weet Pierre, terwijl ze menuetten en quadrilles danst met kermisklanten. Maar tegen hem is ze nooit lief. Ze wrijft een lapje door de pasta, veegt die ruw over zijn gezicht. Het schuurt. Ze moppert dat de schmink niet gelijkmatig te verdelen is vanwege de littekens op zijn wangen. “Je bent net zo lelijk als die zogenaamde tijgers van je”. Zijn handen gaan omhoog, ze willen zijn ogen verbergen. Ze schopt hem hard tegen de schenen. “Laat dat!” Op zijn wangen tekent ze twee rondjes met haar rode schminkstift. Dan brengt ze nog zwart aan op zijn oogleden. Ze doet het weer te ruw, het brandt in zijn ogen. Hij denkt aan de eerste keer toen ze hem opmaakte. Ze had toen gezegd: “O wee, als je de schmink verpest. O wee als je huilt. Ik zal je stompen en ik haal de hond. En als je met je handen aan je gezicht komt ook. Zie ik daar een traan, begin je al?! Nee, dat dacht ik.” Haar hond is een brede buldog met tanden die kriskras uit zijn bek steken. Pierre dwingt zijn handen naast zijn lichaam te blijven, hij slikt en slikt, en wacht op het onontkoombare.

Roubaix, 1872.

Pierre zit onder de tafel en peutert met een stokje in de gebarsten houten vloer. Links van hem twee klompen. De benen van zijn vader, met oude lappen omwikkeld, steken erin. Naast de klompen de draagmand, zijn veilige huis als ze onderweg zijn. Rechts van hem twee laarzen. De man die ze draagt kent hij niet. Zijn vader had hem echter begroet als een oude vriend. Pierre hoort de mannenstemmen boven zijn hoofd, rommelend als onweer boven het veilige dak van het tafelblad. Zijn stokje volgt het spoor door een spleet in het hout. Donkere brei vormt zich op het uiteinde. Pierre heft het stokje voorzichtig op, brengt het naar zijn gezicht, tuurt naar het bergje prut. Ze zijn al uren in deze herberg. De heerlijke geuren van vers brood, soep en vlees hielden voor vader en zoon geen belofte in. Vader bestelde niets, hij liet zich door de man alleen trakteren op bier. Pierre denkt: mensen eten in herbergen. En mensen morsen altijd. Dat gemorste eten komt in de kieren van de vloer. Dus dit is gewoon oud eten. Hij steekt het stokje als een lepel in zijn mond. Het smaakt vies, maar Pierre slikt het snel door. Zij vaders linkerbeen strekt zich plotseling, de punt van de klomp schiet gemeen in zijn rib. Stil jammerend grijpt Pierre naar zijn zij. Het stokje ligt nu vergeten op de grond. Nu ziet hij een grote hand verschijnen naast de laarzen van de onbekende man. De hand doet een greep, grijpt hem bij zijn jakje, sleurt hem onder de tafel uit. Pierre wordt op de tafel gezet. Mensen lachen en wijzen, zoals ze altijd doen. Pierre slaat de handen voor zijn gezicht. Hij voelt zijn wimpers krieuwelen over zijn handpalmen; zijn handen zijn zachte roze muren die hem beschermen tegen al die ogen. Zijn vader zegt luid: “Vijftig centimeter.” De laatste lettergreep verdwijnt in een hoestbui. “Tweeënzestig” brult de man, “oplichter!” Pierre hoort het geruzie. Hij wil van de tafel af, maar die is te hoog. Hij begrijpt niet waarom zijn vader nu overdrijft hoe klein hij is. Eerder zei zijn vader altijd: groei nou eindelijk eens! Tenslotte smijt de man een aantal munten op tafel. Zijn vader graait ze vlug bij elkaar en steekt ze in zijn binnenzak. Dan staat hij abrupt op. Pierre spreidt zijn vingers, nu zijn de muren tralies geworden. Hij kijkt er doorheen naar zijn vader, maar die kijkt niet terug en keert zich af, om weg te gaan. Hij heeft de mand laten staan. Pierre roept: “Papà!” naar de gestalte met de bolle rug die naar de buitendeur loopt. Het is alsof zijn vader een schok krijgt. Maar dan stapt hij over de drempel en verdwijnt uit het zicht. De man met de laarzen brengt zijn gezicht naar Pierre: “Je papà weet wat goed voor jou is. Voortaan heb je met mij te maken. Ik ben jouw impresario. Wij gaan samen veel geld verdienen, mannetje!”

Parijs, drie jaar later

Baas Polanski heeft een nieuw idee bedacht. Een briljant idee, al zegt hij het zelf. Want Pierre levert als kleine pierrot wel geld op tijdens kermissen en jaarmarkten, maar hij zit daar maar te zitten. Na de eerste verbazing over de lengte van deze clown valt het de toeschouwers op dat hij wel erg treurig kijkt. Te treurig, zelfs voor een pierrot. Sommigen zien hem stilletjes huilen, het mondje staat altijd als een omgekeerde u. Ze voelen medelijden met de attractie. En medelijden is een gevoel dat hen niet welkom is op de kermis. Ze voelen zich bekocht: dit is niet leuk! Baas Polanski heeft daarom nagedacht. Hij weet wat het publiek wil: amusement, spektakel! Geen hoopje misère. Er moet dus een act komen, waardoor de aandacht van het publiek langer vastgehouden wordt. Een act waarin iets gebeurt. Want een show die langer duurt levert meer geld op. Dit is het briljante plan: de kleine pierrot is een dierentemmer, die levensgevaarlijke tijgers zijn wil oplegt. De tijgers zijn katten, die de baas heeft gevangen op de begraafplaats van Père-Lachaise. Het zijn echt wilde dieren, groot en vals. De baas geeft ze expres weinig eten. Hij zegt dat ze hierdoor wel zullen leren wie de baas is.

Pierre is bang voor katten. Maar de baas vraagt hem niet naar zijn mening. Hij bouwt een kooi van hekken in de schuur waarin ze verblijven. De kooi is rond en ongeveer vijf meter in doorsnede. Pierre ziet dat hij er vier driepootkrukken in plaatst. Polanski heeft bedacht dat Pierre de katten op de krukken moet leren zitten. Ook moet hij ze door een hoepeltje laten springen. Als ze niet willen, zal hij ze moeten dwingen met een knallende zweep. Eerst moet Pierre oefenen zonder katten. Hij leert hoe hij de zweep kan laten knallen, hoe hij precies een door de baas aangegeven plek kan raken met het uiteinde. Na een paar dagen lukt dit redelijk. Dan zegt de baas: “Zo, nu gaan we de katten halen.”

Pierre kijkt toe, nog veilig aan de buitenkant van de kooi. Hij denkt: ik zou kunnen weglopen, als de schuurdeur niet op slot zou zijn. Dan ren ik en ren ik en kom nooit meer terug. De katten zitten elk apart opgesloten houten kratten. De baas opent de eerste krat. Met zijn zeemleren want grijpt hij er een bij zijn nekvel, en gooit het door de getraliede klep de grote kooi in. Het dier landt, en staart naar Pierre. De jongen ziet de gekromde rug van het dier, de staart dik als de boa van een dame. Daar komt de tweede kat, de grote rode. Hij valt met een plofje neer. De nagels en tanden als vlijmscherpe oosterse zwaarden. De baas pakt de derde, die niet zo argeloos is om zijn lot af te wachten. Het magere grijze dier krult zich om de want als een bloedzuiger en boort zijn nagels in het stukje blote arm van de baas. “Rotkat,” scheldt de baas en schudt het beest van zich af. Tenslotte gooit hij de vierde. De dieren kruipen gespannen door de kooi. De rode haalt uit naar de kop van de witte, een akelig zingend geluid giert door zijn gespierde lijf. De witte laat een diep grommend geluid horen. Pierre voelt hun haat. “Waar zit je, dreumes?” buldert de baas. Pierre maakt zich nog kleiner. Hij drukt zijn handen tegen zijn ogen. Ik ben er niet, denkt hij. Dan trekt de baas hem aan zijn kleding omhoog. Hij moet de hoepel aanpakken, en de zweep. Plotseling staat hij in de kooi, de baas klapt het deurtje dicht. Acht flonkerende kattenogen kijken hem aan. Hij voelt hun minachting. Pierre drukt zijn rug tegen de tralies. “Nee, nee!” huilt hij, “Laat me eruit!” Hij weet zeker dat de katten hem zullen vermoorden. De baas brult: “ Allez, gebruik de zweep, kleine huilebalk!” Pierre knijpt harder in de zweep, maar hem optillen lukt niet, zijn arm drukt tegen de tralies. Dan voelt hij een por in zijn rug. “Hulp, naar het midden van de kooi!” De baas dwingt hem, hij port en prikt hem in de rug met een lange stok. Pierre heft dapper het hoepeltje op voor de wit-grijs gevlekte kat. Die ziet er nog het minst boos uit. Hij roept, zoals hem geleerd is: “Spring!” De kat kijkt hem aan. Minachtend. Dan rimpelt hij zijn neus, spert hij zijn bek open, en maakt een sissend geluid. Pierre kan zo in de muil kijken. Het harde golvende roze binnenste en de sterke kaken, die hem zullen verslinden. Zijn benen tintelen, als schimmelende pap. Plotseling voelt hij dat hij in zijn broek plast. De natte warmte verspreidt zich door zijn kleding. De baas merkt het gelukkig niet. Die roept opgewonden: “Gebruik de zweep!” Pierre denkt: de baas is net als het publiek, hij geniet van de voorstelling. Hìj staat veilig buiten de kooi. Pierre knalt zachtjes met de zweep. En ja! De kat springt. Maar niet door de hoepel. Het dier springt recht in zijn gezicht. Pierre gilt en wankelt, de zweep en de hoepel vallen uit zijn handen. Hij valt achterover. Terwijl hij op de grond ligt maken ook de andere katten een duikvlucht naar hem. Ze krabben en bijten hem waar ze maar kunnen, grommend en jankend, terwijl Pierre trappelt, zwaait en brult. Het doet zo’n pijn! Hoe lang moet het duren? Dan is daar de baas, die de katten wegtrapt en Pierre de kooi uit sleurt.

Iets later

Voorbijgangers zien een heel klein jongetje rennen over de rue de Charonne. Verbazingwekkend klein is hij, kijk nou toch, die kleine stapjes! Het kind let niet goed op, zie, hij botst tegen de onderbenen van een wandelaar. Hij raakt uit koers en raakt een gevel, hij valt en rolt om. Een oude vrouw met een hondenkar buigt zich over hem heen. Ze strijkt het haar uit zijn gezicht, en zegt: “Mon dieu! Gaat het, jongen? Wat is er met je gezicht gebeurd, je bloedt! Laat me je helpen.” –“Kijk dat merkwaardige jongetje eens!” roept een jonge, deftige vrouw. Ze laat de arm van de man met de hoge hoed los en hurkt neer. Nog meer mensen komen erbij. Ze mompelen, tegen elkaar en tegen zichzelf. “Wat is hij klein!” “Oh, hij is gewond! Hier is een zakdoek.” “Wat is er gebeurd, kleine man?” Het kleine ventje huilt: “De katten, de katten!” Het is echt een jong kind. Hoe oud zou hij zijn, een jaar of acht? Maar hij heeft de lengte van een zuigeling! Hij wrijft in zijn gezicht. Snot en tranen vermengen zich met bloed. “Wat een grappig stemmetje heeft hij,” zeggen de mensen. “Waar zijn je ouders, klein jochie?” Ze zien de bloederige strepen en putjes in zijn gezicht. “Weet je de weg naar huis, zal ik je brengen?” vraagt de vrouw met de hondenkar. “Nee! Neem me mee alstublieft! Verstop mij!” Zijn ogen zijn opengesperd, hij lijkt in paniek. Daar komt een man aangemarcheerd, met grote laarzen aan. Op zijn rug draagt hij een mand met leren banden. Een ruw, onvriendelijk gezicht heeft hij. Maar als hij de jongen ziet, glimlacht hij warm. “Daar ben je, kleine Pierre!” Zijn stem is zoet als honing. “Gelukkig heb ik je gevonden, je lieve moeder is zo ongerust!” “Nee, nee,” huilt de jongen. “Bent u de vader?” vraagt de vrouw met de hondenkar. Ze vertrouwt het niet. Zo’n lief klein jongetje zou de zoon zijn van zo’n …. ruw sujet? Maar de man zegt: “Jawel. Mijn naam is Pavel Polanski en dit is mijn kleine Pierre. Het is een stoute jongen, hoor. Wil nooit naar school, is altijd ondeugend. Steeds loopt hij weg van huis, dan zijn we zo ongerust! U ziet hoe kwetsbaar hij is.” Een man zegt: “Nou, u mag wel wat beter voor dit kereltje zorgen. Kijk hem nou toch eens, zo’n ondermaats ventje. Zo mager! En gewond bovendien! Hij moet naar een dokter!” “Heb medelijden met een goedbedoelende vader,” zegt de lelijke man. “Ik doe mijn best, maar ik heb zeven kinderen om voor te zorgen. Dat is geen vetpot. En met deze dreumes hebben we veel te stellen. Mijn vrouw heeft veel verdriet om hem. Ik zal hem gauw mee naar huis nemen. Moederliefde is het beste medicijn.” De man pakt Pierre op en gooit hem als een lappenpop over de rechterschouder, de mand in. Hij loopt met grote stappen weg. De omstanders kijken hem na. Plotseling voelen ze een band. De vrouw met de hondenkar praat tegen de deftige dame als tegen een vriendin. “Ik heb hier geen goed gevoel bij! Moeten we de gendarme niet waarschuwen?” de deftige dame knikt ongerust. Een stramme man met een knijpbrilletje zegt: “Kom, we volgen hem!” Twee sjouwers laten hun vrachtje op de stoep staan en gaan met hem mee. De andere mensen blijven staan wachten, ze proberen te begrijpen van welk wonderlijk schouwspel ze getuige waren. “Ik heb nog nooit zo’n klein mannetje gezien, werkelijk een zeldzaamheid,” zei iemand. “Ik wel, op de kermis bij Bois de Boulogne, maar die was toch wel groter.” “Misschien was die man daadwerkelijk de vader,” sust iemand. “Het kind was bang voor straf, dat zal het geweest zijn.” Tegen de tijd dat de drie mannen terugkomen van hun achtervolging zijn de meeste omstanders vertrokken. Allen de vrouw met de hondenkar staat er nog. De mannen vertellen dat ze de man volgden tot hij in een schuur verdween. Daarna spraken ze de buren. Die vertelden dat ze de man niet goed kenden, hij gebruikte de schuur af en toe een paar weken lang, en vertrok dan weer voor enkele maanden. Het gerucht ging dat die man het kind had gekocht in het noorden, alweer jaren geleden. Momenteel waren ze aan het oefenen op een act met katten, om daarmee kermissen af te reizen. Een vrouw of andere kinderen hadden ze nog nooit bij hem gezien. Wie de ouders waren wist niemand. “We moeten de politie waarschuwen!” riep de vrouw met de hondenkar weer, “dat kind is duidelijk in gevaar!” “Ik niet,” zei de sjouwer, “de politie heeft met mij ook nog een appeltje te schillen.” De andere sjouwer knikte beamend. Ze namen hun vracht snel weer op en vertrokken. De vrouw keek naar de man met de bril. “Mevrouw, het zijn onze zaken niet,” zei de man. “Misschien is dit wat de ouders van het jongetje gewild hebben. Hoe moet hij anders zijn brood verdienen, met die lengte? En als het nou echte tijgers waren…” “Maar het jongetje is zo klein,” werpt ze aarzelend tegen. De man schudt zijn hoofd: “Hij zal ze wel geplaagd hebben, katten krabben niet zomaar.” De vrouw denkt aan haar eigen Minette, het zachte spinnende lijfje op haar schoot. Misschien was het jongetje wel een kleine plaaggeest. Ja, dat moet het zijn geweest, denkt ze. Hij heeft de poezen geplaagd, en toen krabden ze hem. Het was zijn verdiende loon.

Beaupres-sur-Saône, zeven jaar later

Het is vol in de tent. Vooraan, om de kooi heen, zijn de vijf rijen met bankjes vol met bezoekers in mooie kleren. Achter hen verdringen de mensen zich staande. Warmte stijgt op in het schemerduister. Daar is de man met het rode kostuum, hij loopt naar het midden van de kooi. Hij draagt iets in de kromming van zijn ellenboog. Het is een pierrot, de knietjes opgetrokken en de handen voor de ogen. “Oooh,” roepen de mensen opgetogen. “Kijk toch eens, het leeft!” De man in het rood zet de pierrot op een van de driepootkrukken en roept, langzamer dan hij normaal spreekt, en met lange pauzes tussen de zinnen: “Hooggeëerd publiek! Ik vraag uw aandacht en applaus voor kleine pierrot … en zijn levensgevaarlijke act: …het temmen van de tijgers!” Hij trekt het jongetje aan de schouders omhoog tot het staat, het ventje maakt een stijf buiginkje. “Kleine pierrot is een wereldwonder! … Slechts tweeënzestig centimeter lang! … Maar met ongekende talenten! … Een onbevreesde dierentemmer!” De mensen vinden het prachtig. Ze joelen en klappen en stampen met hun voeten. Hun tanden blikkeren in het podiumlicht. Een jongetje met een matrozenmuts op, helemaal vooraan, maakt plotseling oogcontact met de pierrot. De pierrot is jong, ziet hij. Misschien van zijn eigen leeftijd. En de pierrot is bang. Maar waarom? Zijn opgetogenheid maakt onmiddellijk plaats voor een diep gevoel van onrust. Ook het meisje naast hem, dat zwaaide om de aandacht van deze levende pop te trekken stopt, midden in een beweging. Haar hand zakt naar beneden. Ze zien dat de man in het rood de kleine pierrot op de grond zet, een zweep en een hoepel in zijn handen drukt. Dan verdwijnt de man door het traliedeurtje uit de kooi. De pierrot staat aarzelend – bevend, lijkt wel – midden in de kooi. Even later wordt de eerste kat naar binnen gegooid. Het dier is rood met zwarte strepen, het lijkt echt op een tijger! Het dier komt bij de pierrot bijna tot de schouder. Maar nu niet: het drukt zich tegen de grond. Oren in de nek, de neus gerimpeld, de ogen strak op het ventje in het midden. De pierrot knalt met de zweep, de kat schiet als een katapult vooruit, in de richting van de verste kruk. “Oooh,” roept het publiek als met één stem. De rode kat is op de kruk gesprongen. Daar komen de andere katten. De mensen roepen weer opgetogen: “Oooh!” Sommige katten zijn lief en zacht, denkt de jongen. Maar deze zijn akelig: lelijk en mager en vals. Waarom hebben ze geen lieve katten gebruikt? Hij hoort deze dieren grommen en blazen dat het een aard heeft. Hoe gaat de pierrot ervoor zorgen dat deze dieren doen wat hij wil? De spanning stijgt in het publiek. De jongen met de matrozenmuts is even afgeleid door iets roods in zijn ooghoek. Het is de man in het rode kostuum, half verborgen achter een gordijn. Hij zwaait dreigend met zijn vuist naar de pierrot, het lelijke gezicht boos gefronst. Hij schreeuwt iets. De pierrot steekt de hoepel in zijn linkerhand omhoog, de hoepel gaat op en neer, op en neer door het beven van de clown. “Ik ben bang voor die meneer,” klaagt het meisje naast hem”, “en die poezen zijn niet lief”. Ze zegt tegen de dame die bij haar is: “Ik wil weg, ik vind het niet leuk.” Maar de dame zegt: “Nee, we gaan niet weg, het is juist zo spannend!” Ademloos kijken ze toe. De pierrot houdt de hoepel voor de rode kat. Die kijkt hem strak aan. De pierrot laat de zweep knallen. De rode kat zet zich schrap, en: warempel… Hij springt door de hoepel! Het publiek is door het dolle heen. Wat knap van deze kleine clown, fantastisch! Een ware dompteur! Ze klappen en juichen. De pierrot is hun held. Die wendt zich intussen tot de grote zwarte, die rode strepen opgeschilderd heeft gekregen. De jongen met de matrozenmuts ziet dat de vacht tussen de achterpoten van de kat in plukjes samenklitten, alsof de kat in zijn broek heeft geplast. Het dier likt nerveus zijn lippen. De pierrot knalt de zweep in de richting van de zwarte. Het beest duikt in elkaar, als bevroren, en draait zich langzaam naar hem toe. Hij ziet de mondhoeken van de kat vertrekken, de oren liggen plat, terwijl de ogen wel uit de kop lijken te puilen. De kat veert op, zakt dan terug, als een jager die zijn prooi fixeert. “Oooh”, roept het publiek. De kleine pierrot laat zijn zweep vallen, dan zijn hoepel. Hij bukt zich, wil hij ze oprapen? Nee, hij blijft bij de grond. Het publiek aarzelt. Hoort dit bij de show? Ze zien de kleine clown snel op handen en voeten in de richting van het deurtje in de kooi kruipen. Het deurtje zit op slot. Ze zien dat de Pierrot de tralies vastgrijpt. De man in het rood trapt hard tegen zijn vingers. De Pierrot maakt geluid. Hij piept, een hoog geluid. De mensen roepen: “Hup Pierrot, hup Pierrot!” Ze willen hem moed inspreken, ze willen dat hij weer verder gaat met zijn act. Het ging zo goed! De jongen met de matrozenmuts hoort de pierrot nu hard huilen. Plotseling springt een van de katten, waar kwam die ineens vandaan? op de rug van de clown. Die gilt, kronkelt, en rolt op zijn rug. Ook de andere katten schieten nu op hem af. Ze slaan hun klauwen in alles wat beweegt. Ze trekken diepen scheuren door zijn vlees. Vol afgrijzen ziet het publiek het gebeuren. Het publiek kolkt, verdringt zich om de kooi. “Help hem dan toch,” brullen mensen naar de man in het rood. Die morrelt aan het slot van het traliehek, hij krijgt het niet open. Het duurt te lang. Als de katten verjaagd zijn ligt de kleine pierrot stil in de kooi, een verfrommeld kleurenpalet van rood, zwart en wit. “Moordenaar!” roept een man uit het publiek naar de man in het rood. “Je hebt hem de dood ingejaagd! Het was nog maar een kleine jongen!” Een grote man haalt uit naar de man in het rood. “Ik zal je leren, beul!” Verschillende handen grijpen de man stevig vast. Iemand roept om de politie. “Is hij dood?” vraagt de jongen met de matrozenmuts aan zijn ouders, die zich stil en bleek met hem de tent uit haasten. “Maman, is hij dood, de pierrot?” Zijn moeder zwijgt bedrukt, ze kijkt hem niet aan. Zijn vader zegt: “Kom, we gaan naar huis. Wat een vreselijke voorstelling. De kermis is ook niet meer wat hij geweest was. Bah.”