Een steekje los – Anna Maria Senders (Zeelst 1807-‘s-Hertogenbosch 1863)

Inleiding

Dit verhaal past weliswaar in de stamreeks van een Zeelster slag (Catharina Geraerts, vrouwelijke lijn), maar deze moeder-dochterlijn is uitgestorven: Anna Maria’s kleindochter kreeg geen dochters. Toch wil ik het vertellen, omdat er een doktersbriefje bestaat met haar diagnose. Dit is uitzonderlijk en helpt om een beeld te vormen van haar omstandigheden.

Liefde maakt blind?

Misschien viel Renier Bijnen wel op haar onvoorspelbare karakter. Deze jonge vrouw, Anna Maria Senders, was tenminste spannend! Tenminste niet zo’n saaie meid als alle andere dorpsmeisjes. Sommigen noemden haar een lastig portretje, hij vond haar uniek. Ze kon praten als brugman. Hij dacht dat het aan haar intelligentie lag dat hij haar redeneringen meestal niet kon volgen. Ja, ze had woedeaanvallen, maar als ze daarna vrede sloten was hij verliefder dan ooit. Na een woelige verlovingstijd trouwden ze in 1830, Renier en Anna Maria. Hij was vijfentwintig, zij drieëntwintig jaar oud. Ze gingen wonen in een hut in het onvruchtbare buitengebied van Zeelst dat De Kleine Pastorij werd genoemd.

Een jong weversgezin

Renier was al jong wees geworden. Misschien dat hij daarom Anna Maria’s grillen zo gemakkelijk kon accepteren. En de eerste jaren waren best gezellig, ze kregen drie kinderen en genoten van elkaars gezelschap. Maar januari 1835 bracht rampspoed. Het oudste zoontje Jacobus overleed, drie jaar oud, en drie weken later de kleine Lambertus, een zuigeling nog. Anna Maria’s geestelijke gezondheid ging nog meer aan het wankelen. Wel namen Renier en Anna Maria het besluit om hun oudste zoon Hendrik naar school te sturen: hij moest gaan leren. Voor een weversgezin als het hunne een vrij bijzonder besluit! De vijf andere kinderen waren voorbestemd als wevers, spoelders en spinsters te gaan werken, of anders zich als arbeider en dienstmeid te verhuren.

Een furie in huis

Toen het jongste kind vijf jaar werd kon Renier er niet meer om heen: Anna Maria was niet meer te hanteren. Haar verhalen waren zo onsamenhangend geworden! Met geen mogelijkheid kon hij daar nog intellectueel vernuft in ontdekken. Maar bovendien had ze zulke angstwekkende woedeaanvallen dat de kinderen niet meer thuis durfden te komen. Iedereen in de wijde omgeving was bang voor haar. Renier moest de waarheid onder ogen zien: Anna Maria was krankzinnig. Maar wat nu? Hij kon haar niet vierentwintig uur per dag bewaken, er moest ook nog gewerkt worden. Oppassers inhuren of haar uitbesteden kon hij niet betalen. Ook had hij niet de financiële armslag om haar in een instelling te laten verplegen. Hij vroeg de burgemeester om hulp.

De hulpvraag

Sinds 1841 bepaalde de Eerste Krankzinnigenwet dat verwarde personen sowieso niet zomaar door hun naasten in een krankzinnigengesticht konden worden gestopt. Eerst moest zo iemand door een geneesheer onderzocht worden. Op grond van dat onderzoek besliste de rechtbank of opname noodzakelijk was. Zo ja, dan gaf de rechtbank een rechterlijke machtiging af die een jaar geldig was. Daarna moest er elk jaar opnieuw een onderzoek plaatsvinden. Bemiddelde families konden zelf bij de rechtbank een machtiging aanvragen en opname regelen, maar armlastige gezinnen moesten hiervoor een beroep doen op de gemeente. Die kon voor hen de procedure in gang zetten en garant staan voor de verpleegkosten. Natuurlijk deden gemeenten dat niet graag. Burgemeesters waren immers notoir gierig. Ze werkten alleen mee aan zo’n verzoek wanneer het echt heel erg was; wanneer er direct gevaar dreigde voor de omgeving. In het geval van Anna Maria was dit in 1854 duidelijk het geval, maar wie weet hoe vaak Renier al eerder bij de burgemeester voor opname had gepleit. Had Anna Maria stilletjes huilend in een hoekje gezeten, dan had de burgemeester het verzoek van Renier heel waarschijnlijk afgewezen.

Naar ’t Gek Eind

Anna Maria werd razend en tierend naar het Reinier van Arkel krankzinnigengesticht in ‘s-Hertogenbosch gebracht. Dit gesticht bestond al sinds de vijftiende eeuw, het was gelegen aan het Hinthamereind E 26, in de volksmond ook wel ’t Gek Eind genoemd. Het was dé instantie waar Brabantse patiënten die op kosten van hun gemeente verpleegd werden naar verwezen werden. De verpleging was er in handen van religieuzen. De patiënten waren per geslacht en per klasse van elkaar gescheiden. De rijken, die voor hun eigen verblijf betaalden werden verpleegd in luxe kamers met privacy, porseleinen servies en vogelkooitjes. Maar Anna Maria behoorde tot de laagste klasse, de patiënten waarvoor de gemeente betaalde. Ze zal dus in een functionele vrouwenzaal zijn geplaatst, bij de storende of onrustige patiënten, gezien haar ziektebeeld. In de slaapzaal kreeg ze een bed met stromatras toegewezen, met daarnaast een dekenkist voor haar schamele bezittingen. Ze kreeg gestichtskleding aan en werd zo goed en zo kwaad als het kon opgenomen in het regime van gezamenlijk eten en werken. De eerste dagen van haar verblijf bezocht de geneesheer haar dagelijks. Op 20 januari 1854 verklaarde hij schriftelijk dat zij leed aan mania furibunda, oftewel: “Waanzinnigheid, kenbaar uit de aanvallen van woede waardoor zij wordt overvallen bij de minste aanraking of toespraak, gepaard aan een meestentijds bestaande verwarring van denkbeelden.” Hij verklaarde dat ze een gevaar voor haar omgeving, zichzelf of de openbare orde was. Ze moest zeker langer verpleegd worden. De rechtbank verleende vervolgens de gevraagde machtiging om haar “voorloopig” tot 12 februari 1855 een geneeskundig gesticht te doen verblijven.

(tekst gaat verder onder de afbeelding)

Uit de verklaring van de geneesheer van het krankzinnigengesticht

Psychiatrische zorg medio 19e eeuw

De psychiatrie stond nog in de kinderschoenen, maar het Reinier van Arkel was altijd vooruitstrevend geweest. Patiënten werden er niet opgesloten in hokken, maar toegesproken en geobserveerd. De heilzame werking van arbeid was al bekend. Het personeel stimuleerde de patiënten daarom om te werken: vrouwen om te wassen, vouwen, spinnen, strijken, naaien en dergelijke, mannen om manden te vlechten, te weven en te timmeren. Eenvoudige werkjes die ze al kenden, om gedachten te verzetten en handen bezig te houden. Bijkomend voordeel voor het gesticht was dat het hierdoor bijna zelfvoorzienend was. De behandeling bestond vooral uit morele therapie: het vermanend toespreken van patiënten. Qua medicatie vertrouwden de geneesheren op kalmerende middelen zoals laudanum, een op opium gebaseerde tinctuur. Heftige ingrepen als lobotomie en elektroshocks bestonden nog lang niet. Elk jaar evalueerde de geneesheer de toestand van Anna Maria, maar deze bleek niet te verbeteren. Elk jaar beviel hij aan om haar langer te laten verplegen. Overigens was de geneesheer van het gesticht in Den Bosch natuurlijk niet onpartijdig. Het was in het belang van het gesticht om de gemeentelijke patiënten betaalden zo lang mogelijk te behouden. Later ging de rechtbank Eindhoven gebruik maken van eigen geneesheren, die onafhankelijker waren in hun oordeel.

De gevolgen

De kinderen van Renier en Anna Maria hadden een knauw gekregen door hun instabiele jeugd. Zoon Hendrik, het goudhaantje van het gezin, had zwaar geleden. De jongen, die door zijn ouders uitverkoren was om te gaan leren, werd net als alle dienstplichtige weverszonen van Zeelst ingelijfd bij de infanterie in Breda. Hij was twintig toen hij zich soldaat bij de eerste compagnie vierde bataljon van het zesde regiment infanterie mocht gaan noemen. Zijn moeder verbleef toen al vier jaar in het gesticht. We weten het niet, maar het is mogelijk dat Hendrik zich zelfs op zijn dienstplicht verheugd had. Het betekende in elk geval een uitweg uit een omgeving waarin iedereen wist over hun gekke moeder en een ontsnapping aan de ambities van zijn vader. Maar de fysieke afstand betekende niet dat hij psychisch afstand kon nemen van de schimmen uit zijn jeugd. Op 11 november 1858 maakte hij op de kazerne door ophanging een eind aan zijn leven. Anna Maria Senders overleed een paar jaar later, nog steeds in ’s-Hertogenbosch. Ze was pas vijfenvijftig jaar oud. De directeur van het gesticht deed hoogstpersoonlijk aangifte van haar overlijden op 10 januari 1863. Twee jaar later stierf dochter Jacoba ook voortijdig: drieëntwintig jaar, onder onopgehelderde omstandigheden.

De inschrijving van het overlijden van Hendrik in de registers van Zeelst, met de toevoeging: “Hadt zich door ophanging van ’t leven beroofd”.

Meer lezen over Zeelst? Of over historische psychiatrie? Klik op de links.

Omslagfoto:

Krankzinnigen in een interieur De Elven (gesticht Zutphen), Alexander Ver Huell, 1856. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Vleselijke conversatie

Prelude

“I did not have sexual relations with that woman”, sprak de Amerikaanse president Bill Clinton in 1998. Hij was zeker niet de eerste man in de geschiedenis die een seksuele relatie met een vrouw ontkende. Jan Beijsens uit Zeelst, zoon van Henricus Jan Beijsens, sprak woorden van gelijke strekking in de grasmaand van 1810 voor het departementaal gerechtshof van Brabant. De zitting vond plaats in Breda. Bij deze zaak was er meer aan de hand dan een paar witte vlekken op een jurk. Er was een kind geboren, al veel eerder, in februari 1804. De moeder had hem toen al aangewezen als vader. Na een half jaar was het zwakke kind gestorven. In de doodakte stond het vermeld als “onecht kind van Joanna Scheepers, laat moeder na.”

En toen?

Joanna Scheepers moet verdriet hebben gehad. Om het dode kind, maar ook om Jans ontkenning. Ze zal ook boos en gekwetst zijn geweest. Hoe kon Jan doen alsof hij er niets mee te maken had? Kennelijk waren ze kortstondig verliefd geweest. Maar in plaats van te trouwen, zodat het kind geëcht kon worden, had Jan de benen genomen. Joanna bleef achter met lege handen en een besmeurde eer. Maar Joanna was geen lief, zacht maagdeke. Ze was een boerin. Een harde werkster met dito handen. Ze heerste over leven en dood in haar boerendomein. Ze wist van aanpakken en ze zou hém aanpakken.

Een affaire met een staartje

Jan Beijsens werd het na het overlijden van de kleine in de zomer van 1804 te heet onder de voeten. Iedereen in het gehucht Heistraat en daarbuiten leek een mening te hebben over zijn relatie met Joanna. Alsof zij er geen schuld aan had! Hij dácht er niet aan om zich aan haar te verbinden, hoe iedereen ook bij hem aandrong. Hij vertrok, met bestemming Amsterdam. Daar viel hij voor een Amsterdamse dame genaamd Joanna Salomons. Ze gingen in ondertrouw in juni 1806, en gaven het adres St. Jacobsstraat bij de Nieuwendijk op als woonadres. Maar eind juli 1806 vertrokken ze naar Gemert, Jan met een borgbrief van Zeelst op zak. Hij werd reizend koopman en zijn vrouw vergezelde hem. Enkele kinderen werden in Gemert geboren. Een ander kind was daarna weer geboren in Amsterdam, maar overleed in Breda. Maar op die gedenkwaardige dag in mei 1810 moest hij dus verschijnen voor het gerechtshof, gedaagd door zijn oude vlam Joanna Scheepers. Niet gewoon voor de schepenbank. Nee! Joanna stapte naar het hoogste rechtscollege om hem te bewegen zijn vaderschap te erkennen. (lees verder na de afbeelding)

Hier zou je een oude foto moeten zien van het gebouw waarin het gerechtshof zitting hield.
Foto Breda Beeldcollectie, collectie Stadsarchief Breda, identificatienummer GN19901826: het gouverneurshuis van Breda circa 1915. Het was van 1803 tot 1811 de zetel van het Departementaal Gerechtshof van Brabant.

De sententie

Het was ongetwijfeld een spannende dag voor Joanna. Want een vrouw is nu eenmaal degene bij wie de bewijzen van geslachtsverkeer duidelijk zijn: eerst een zwangerschap, vervolgens een kind. Maar hoe was het mannelijke aandeel in de zaak te bewijzen? Toch had ze doorgezet. Joanna werd vertegenwoordigd door een pro deo procureur. Jan had zijn vader meegenomen om hem te steunen. En Jan deed ten overstaan van de heren commissarissen zijn clintonnetje. Hij verklaarde onder heilige ede “dat hij, gedaagde, geen vader is van het kind, waarvan de impetrante op den 3 februari 1804 is verlost, en dat hij nooit eenige vleeschelijke conversatie met haar heeft gehad”. Het gerechthof overlegde uitgebreid en sprak tenslotte haar oordeel uit. En dat oordeel was… dat Jan zijn eed niet naar voldoening had afgelegd. Joanna werd in het gelijk gesteld! Niet alleen bepaalde het hof dat Jan de vader was van het kind, maar zelfs dat zij met niemand anders ooit “vleeschelijke conversatie” had gepleegd. Hij werd veroordeeld tot betaling van fikse geldbedragen: “tot betering van hare eer” een som van driehonderd gulden, voor de kraamkosten vijftig gulden, en voor alimentatie van het kind een gulden tien stuivers per week, te rekenen vanaf 3 februari 1804 tot 18 juni 1804, toen het begraven werd [dat kwam op een totaal van f 28,50]. Bovendien moest hij opdraaien voor alle proceskosten.

En… leefden ze nog lang en gelukkig?

Joanna Scheepers hield het verder wel voor gezien met de mannen. Ze bleef de rest van haar leven vrijgezel. Nadat haar broer Peter weduwnaar werd bestierden ze gezamenlijk hun boerderij aan de Heistraat 112. Ze werden daarbij geholpen door de inwonende familie Van Laarhoven en een dienstmeid. Joanna Scheepers overleed, vierenzeventig jaar oud, in 1850.

Johannes Beijsens zette zijn reizende bestaan voort. In Maaseik werd zijn enige kind geboren dat de volwassen leeftijd bereikte: Johannes Josephus Gerardus Beijsens, geboren 6 maart 1820. Nadat zijn vrouw Joanna Salomons overleed keerde hij met de jongen terug naar Amsterdam en trouwde opnieuw, met weduwe Isabella van de Auwera uit Mechelen. Hij werd logementhouder en commissionair. Op 25 april 1863 werd hij opgenomen in het gasthuis van Amsterdam. Hij was toen volgens opgave zesentachtig jaar oud. Ach, het komt niet zo nauw meer op die leeftijd: in werkelijkheid was hij tweeëntachtig. Hij lag in “krebbe” nummer E13. Het is het laatste wat we van hem vernamen. Het is aannemelijk dat hij kort daarna in Amsterdam overleden is.

Genealogische gegevens:

Johannes Beijssens, geboren uit Henricus Jan Beijssens en Maria van Luijtelaar, Zeelst, 19-12-1780, overleden Amsterdam, > 25 april 1863

Johanna Scheepers, geboren uit Adrianus Scheepers en Joanna Sibillen, Zeelst, 01-12-1776, overleden Zeelst, 20 april 1850

Dit verhaal is gemaakt voor het project Een Zeelster Slag, voor de familielijn Beijssens.

————————————–

Mijn dank gaat uit naar het BHIC, op wiens site het vonnis integraal na te lezen is: vonnissen Raad van Brabant 1803-1811, toegangsnummer 19, inventarisnummer 1331; www.bhic.nl

Omslagfoto (public domain): Jean-Baptiste Greuze (French, Tournus 1725–1805 Paris) – Broken Eggs (1756). Metropolitan Museum of Art. De gebroken eieren staan symbool voor de geschonden eer.

In verwarde toestand in Zeelst

Krankzinnigenbeleid in de 19e eeuw

Het is dit jaar tweehonderd jaar geleden dat koning Willem I zijn handtekening zette onder een besluit, dat de houding ten aanzien van verwarde medemensen definitief zou veranderen. Het zogenaamde “Menschlievend Besluit” verwoordde een nieuw inzicht: krankzinnigen zijn ziek, en zieken kun je proberen te genezen. Het besluit kwam niet uit de lucht vallen gezien de internationale ontwikkelingen, maar was voor Nederland toch heel voortvarend. Want overal in Nederland vond je nog “In verwarde toestand in Zeelst” verder lezen