Vleselijke conversatie

Prelude

“I did not have sexual relations with that woman”, sprak de Amerikaanse president Bill Clinton in 1998. Hij was zeker niet de eerste man in de geschiedenis die een seksuele relatie met een vrouw ontkende. Jan Beijsens uit Zeelst, zoon van Henricus Jan Beijsens, sprak woorden van gelijke strekking in de grasmaand van 1810 voor het departementaal gerechtshof van Brabant. De zitting vond plaats in Breda. Bij deze zaak was er meer aan de hand dan een paar witte vlekken op een jurk. Er was een kind geboren, al veel eerder, in februari 1804. De moeder had hem toen al aangewezen als vader. Na een half jaar was het zwakke kind gestorven. In de doodakte stond het vermeld als “onecht kind van Joanna Scheepers, laat moeder na.”

En toen?

Joanna Scheepers moet verdriet hebben gehad. Om het dode kind, maar ook om Jans ontkenning. Ze zal ook boos en gekwetst zijn geweest. Hoe kon Jan doen alsof hij er niets mee te maken had? Kennelijk waren ze kortstondig verliefd geweest. Maar in plaats van te trouwen, zodat het kind geëcht kon worden, had Jan de benen genomen. Joanna bleef achter met lege handen en een besmeurde eer. Maar Joanna was geen lief, zacht maagdeke. Ze was een boerin. Een harde werkster met dito handen. Ze heerste over leven en dood in haar boerendomein. Ze wist van aanpakken en ze zou hém aanpakken.

Een affaire met een staartje

Jan Beijsens werd het na het overlijden van de kleine in de zomer van 1804 te heet onder de voeten. Iedereen in het gehucht Heistraat en daarbuiten leek een mening te hebben over zijn relatie met Joanna. Alsof zij er geen schuld aan had! Hij dácht er niet aan om zich aan haar te verbinden, hoe iedereen ook bij hem aandrong. Hij vertrok, met bestemming Amsterdam. Daar viel hij voor een Amsterdamse dame genaamd Joanna Salomons. Ze gingen in ondertrouw in juni 1806, en gaven het adres St. Jacobsstraat bij de Nieuwendijk op als woonadres. Maar eind juli 1806 vertrokken ze naar Gemert, Jan met een borgbrief van Zeelst op zak. Hij werd reizend koopman en zijn vrouw vergezelde hem. Enkele kinderen werden in Gemert geboren. Een ander kind was daarna weer geboren in Amsterdam, maar overleed in Breda. Maar op die gedenkwaardige dag in mei 1810 moest hij dus verschijnen voor het gerechtshof, gedaagd door zijn oude vlam Joanna Scheepers. Niet gewoon voor de schepenbank. Nee! Joanna stapte naar het hoogste rechtscollege om hem te bewegen zijn vaderschap te erkennen. (lees verder na de afbeelding)

Hier zou je een oude foto moeten zien van het gebouw waarin het gerechtshof zitting hield.
Foto Breda Beeldcollectie, collectie Stadsarchief Breda, identificatienummer GN19901826: het gouverneurshuis van Breda circa 1915. Het was van 1803 tot 1811 de zetel van het Departementaal Gerechtshof van Brabant.

De sententie

Het was ongetwijfeld een spannende dag voor Joanna. Want een vrouw is nu eenmaal degene bij wie de bewijzen van geslachtsverkeer duidelijk zijn: eerst een zwangerschap, vervolgens een kind. Maar hoe was het mannelijke aandeel in de zaak te bewijzen? Toch had ze doorgezet. Joanna werd vertegenwoordigd door een pro deo procureur. Jan had zijn vader meegenomen om hem te steunen. En Jan deed ten overstaan van de heren commissarissen zijn clintonnetje. Hij verklaarde onder heilige ede “dat hij, gedaagde, geen vader is van het kind, waarvan de impetrante op den 3 februari 1804 is verlost, en dat hij nooit eenige vleeschelijke conversatie met haar heeft gehad”. Het gerechthof overlegde uitgebreid en sprak tenslotte haar oordeel uit. En dat oordeel was… dat Jan zijn eed niet naar voldoening had afgelegd. Joanna werd in het gelijk gesteld! Niet alleen bepaalde het hof dat Jan de vader was van het kind, maar zelfs dat zij met niemand anders ooit “vleeschelijke conversatie” had gepleegd. Hij werd veroordeeld tot betaling van fikse geldbedragen: “tot betering van hare eer” een som van driehonderd gulden, voor de kraamkosten vijftig gulden, en voor alimentatie van het kind een gulden tien stuivers per week, te rekenen vanaf 3 februari 1804 tot 18 juni 1804, toen het begraven werd [dat kwam op een totaal van f 28,50]. Bovendien moest hij opdraaien voor alle proceskosten.

En… leefden ze nog lang en gelukkig?

Joanna Scheepers hield het verder wel voor gezien met de mannen. Ze bleef de rest van haar leven vrijgezel. Nadat haar broer Peter weduwnaar werd bestierden ze gezamenlijk hun boerderij aan de Heistraat 112. Ze werden daarbij geholpen door de inwonende familie Van Laarhoven en een dienstmeid. Joanna Scheepers overleed, vierenzeventig jaar oud, in 1850.

Johannes Beijsens zette zijn reizende bestaan voort. In Maaseik werd zijn enige kind geboren dat de volwassen leeftijd bereikte: Johannes Josephus Gerardus Beijsens, geboren 6 maart 1820. Nadat zijn vrouw Joanna Salomons overleed keerde hij met de jongen terug naar Amsterdam en trouwde opnieuw, met weduwe Isabella van de Auwera uit Mechelen. Hij werd logementhouder en commissionair. Op 25 april 1863 werd hij opgenomen in het gasthuis van Amsterdam. Hij was toen volgens opgave zesentachtig jaar oud. Ach, het komt niet zo nauw meer op die leeftijd: in werkelijkheid was hij tweeëntachtig. Hij lag in “krebbe” nummer E13. Het is het laatste wat we van hem vernamen. Het is aannemelijk dat hij kort daarna in Amsterdam overleden is.

Genealogische gegevens:

Johannes Beijssens, geboren uit Henricus Jan Beijssens en Maria van Luijtelaar, Zeelst, 19-12-1780, overleden Amsterdam, > 25 april 1863

Johanna Scheepers, geboren uit Adrianus Scheepers en Joanna Sibillen, Zeelst, 01-12-1776, overleden Zeelst, 20 april 1850

Dit verhaal is gemaakt voor het project Een Zeelster Slag, voor de familielijn Beijssens.

————————————–

Mijn dank gaat uit naar het BHIC, op wiens site het vonnis integraal na te lezen is: vonnissen Raad van Brabant 1803-1811, toegangsnummer 19, inventarisnummer 1331; www.bhic.nl

Omslagfoto (public domain): Jean-Baptiste Greuze (French, Tournus 1725–1805 Paris) – Broken Eggs (1756). Metropolitan Museum of Art. De gebroken eieren staan symbool voor de geschonden eer.

Het verhaal van de Zeelster zonderling

Op 3 juni 2018 hield ik een korte presentatie tijdens het Famillement in Leeuwarden over mijn onderzoek naar de Zeelster zonderling. Hier in het kort zijn levensverhaal.

Geboorte

Jacobus de Greef werd geboren in 1847 in Zeelst, dat sinds 1920 bij de gemeente Veldhoven hoort. Hij was de oudste zoon van Christiaan de Greef en Anna Maria Bochman. Hij groeide op in een van de wevershuisjes op Djept, noord-oostelijk van de dorpskern. Na Jacobus werd er nog een zoon geboren, Peter Henricus. De andere vier kinderen in het gezin stierven jong. Doordat Christiaan de Greef een stiefvader had die Van Brussel heette, werd het gezin in de wandelgang als Van Brussel aangeduid.

Jeugd

Jacobus de Greef ging te weinig naar school om te leren lezen en schrijven. Op zijn twaalfde kwam hij voor het eerst in aanraking met justitie vanwege het vissen met verboden vistuig. Hij belandde daarna nog regelmatig in gevangenissen voor kleine overtredingen: hout sprokkelen, vissen, eikels afschudden en bedelen. Ergens tussen zijn veertiende en zijn zeventiende jaar ging hij als wever werken.

Dienstplicht

Jacobus hoefde niet in dienst, maar Peer had pech. Hij werd ingelijfd bij de infanterie, juist in de periode van de Frans-Duitse oorlog. Nadat heel Nederland op scherp stond tussen juni en september 1870 werden de miliciens weer naar huis gestuurd, een militaire aanval had niet plaats gevonden. Maar dienstplichtige was vijf jaar lang oproepbaar. Kennelijk kwam Peer niet opdagen op 27 oktober 1870, samen met nog negen anderen van zijn regiment, want sindsdien stond hij te boek als deserteur. Hij was vertrokken naar België om daar als wever te werken. Jacobus ging met hem mee, hij verkocht daarvoor zijn puike jachthond.

België

De broers verbleven in Boechout bij Antwerpen. Jacobus moest na enkele jaren opgenomen worden in het zinnelozenhuis, het lijkt erop dat hij een psychose met godsdienstige waanideeën had (monomanie religieuse). Er werd over hem genoteerd dat er goed met hem te praten viel, alleen maakte hij soms alles kapot wat hem onder handen kwam. Hij kreeg badtherapie en morele therapie. Tijdens zijn razernij kreeg hij boeien om. Na enkele weken werd hij door zijn broer weer opgehaald uit het gesticht.

Gevangenis

De broers keerden eind 1873 terug naar Zeelst. Nog steeds werden ze met enige regelmaat gevangen gezet vanwege akkefietjes als hout kappen en dor hout uit het bos halen. Inmiddels was het gevangenissysteem gewijzigd, nu moesten ze naar de strafgevangenis van Den Bosch en in eenzame opsluiting hun straffen ondergaan.

Jaarmarkt

In 1876 was Jacobus op de jaarmarkt in Oirschot. Hij was daar in de war, klampte mensen aan en bezorgde last en schrik aan de mensen. De burgemeester van Oirschot liet hem verwijderen. In Eindhoven beval de officier van Justitie dat hij opgezonden moest worden naar krankzinnnigengesticht Coudewater in Rosmalen. De burgemeester van Zeelst, als betalende partij, vulde het intakeformulier in. Zijn mening over Jacobus was dat deze grote sterke man slecht was opgevoed, en krankzinnigheid voorwendde om gratis verteringen te doen. Hij was het niet eens met verpleging in een krankzinnigengesticht. Na drie maanden werd Jacobus op proef ontslagen en keerde terug naar Zeelst.

Bedelen

Als beroep werd hij voortaan koopman genoemd. Hij maakte en ventte bezems in de omgeving. Maar Jacobus werd steeds vaker bedelend aangetroffen, hij was een bekende verschijning in de hele regio, men kendde hem als Van Brussel. In 1881 werd hij voor het eerst naar bedelaarsgesticht Ommerschans opgezonden. Exact een jaar later werd hij ontslagen. Onmiddellijk na terugkomst in Zeelst ging hij samen met zijn broer hout verzamelen om zijn woning te herbouwen. Ze werden betrapt en berecht, Jacobus tot een maand gevangenisstraf in eenzame opsluiting. Jacobus reageerde niet op de dagvaarding, zodat de marechaussee hem thuis kwam halen. Het leidde tot een achtervolging door schoorstenen en over de nok van het dak, een incident dat kranten in alle Nederlandse gewesten haalde.

Psychiatrisch

Na zijn terugkeer uit Den Bosch was hij haast niet meer aanspreekbaar. Zijn vader liep naar Eindhoven om bij de rechtbank te klagen dat zijn zoon in een gesticht moest worden opgenomen omdat hij krankzinnig was. Rechtstreekse aanleiding was dat Jacobus de hut van zijn vader kort en klein had geslagen. De burgemeester van Eindhoven stuurde een bericht aan zijn collega in Zeelst dat Jacobus in Eindhoven op straat zwierf en bespot werd door de straatjeugd, en of het niet wenselijk was hem in een gesticht op te laten sluiten? Toen Jacobus weer in de gevangenis van Den Bosch belandde na bedelarij in 1884, vroeg de officier van Justitie aan de burgemeester van Zeelst: er is sprake van opzending naar een bedelaarsgesticht, maar dat lijkt mij niet de juiste plaats voor deze man, daar komt hij hooguit verslechterd uit. Hij komt op iedereen nogal zonderling over. Wat is uw mening over hem? Zou hij niet beter op zijn plaats zijn in een krankzinnigengesticht? Het antwoord van de burgemeester van Zeelst was dat Jacobus alleen maar deed alsof hij krankzinnig was. Hij moest maar eens leren wat werken was en een tijd in de Ommerschans doorbrengen. Zo geschiedde ook.

Medemblik

Na drie maanden in de Ommerschans besloot de directie hem door te sturen naar rijkskrankzinnigengesticht Medemblik. Dat was net nieuw, Jacobus werd er de 43e patient. Hij was daar nauwelijks aanspreekbaar: zat hele dagen op zijn stoel, bemoeide zich niet met andere mensen, sprak in zichzelf. Soms was hij helder en zei hij dat hij wist dat hij onzin sprak, maar dat hij het niet kon laten. Hij bedacht een rijmtaal, gebaseerd op het Latijn en hoorde de stem van zijn broer over de wind aangedragen worden.

Naar Vught

In Zeelst dacht men al lang niet meer aan Jacobus de Greef, tot de gemeente de rekening gepresenteerd kreeg: twee jaar lang was de Ommerschans de betalende partij geweest, maar vanaf maart 1886 was Zeelst de gemeente van onderstand en dus de betalende partij. Zeelst probeerde onder de kosten uit te komen door te argumenteren dat Jacobus geen woonplaats had in Zeelst: ten eerste zwierf hij voornamelijk, en ten tweede was hij immers in de Ommerschans geweest. De Raad van State gaf Zeelst ongelijk in januari 1887. Onmiddellijk zocht Zeelst naar een goedkoper alternatief, en vond dat in de vorm van krankzinnigengesticht Voorburg in Vught. Jacobus werd daar naartoe vervoerd. Zijn verblijf daar werd jaarlijks verlengd, en in 1892 stierf hij daar. Hij was slechts 44 jaar oud geworden.