“Zij is sluw en valsch”, het verrotte leven van Johanna Maria Condaar

Sommige levens laten zich vlot reconstrueren, van andere is slechts summiere en verbrokkelde informatie te vinden. Het leven van Johanna Maria Condaar behoort tot de laatste categorie. Wel is er een foto van haar bewaard gebleven uit 1890, ze heeft fijne, gelijkmatige trekken. Om haar carrière beter te begrijpen moest ik ook haar moeders levensloop in beschouwing nemen. En tenslotte bleek de kern van de ellende, als ik het zo mag noemen, bij haar grootouders te liggen. Laat ik daar maar beginnen:

Generatie 1.
Dennenburg is verscholen gehucht bij Ravenstein, het vormde lange tijd een gemeente met het aangrenzende dorp Deursen. Hier woonde de weduwe Mechtilda Voet, aan de Hoogstraat. Haar overleden man Johannes Nous was een gerespecteerde man geweest in het gehucht, hij was koster en kerkmeester geweest van de eeuwenoude Michaelskerk. En Mechtilda’s neef was de schoolmeester van het dorpje, dus waarschijnlijk stond de familie in aanzien. Met drie kinderen koos ze ervoor te hertrouwen, en wel in 1814 met Jan Condaar, een akkerman uit Berghem. Ze kreeg met hem één dochter, Johanna Maria, geboren in 1815. Jan Condaar bleek schulden te hebben of te maken, er werd in notariële akten een bedrag genoemd van f 800. Mechteld besloot in de winter van 1818-1819 haar huis en hof te verkopen aan ene Augustinus van Uden, en de opbrengst van f 550,- zo te verdelen zodat de helft voor haar en de andere helft ten gunste van haar drie kinderen uit het huwelijk met Nous zou komen. Het laat zich raden dat de f 275 die Mechteld behield naar de aflossing van de schulden ging. Voor dochter Johanna Maria Condaar was er geen financiële buffer meer.

Generatie 2.
Hoe Johanna Maria Condaar (meestal Johanna genoemd) opgroeide blijft grotendeels schimmig. In 1832 overlijd haar moeder Mechteld Voet in Dennenburg. Ze is dan dertien jaar. Op enig moment gaat zij naar Tiel, om daar als dienstbode te werken. Ze staat daar in 1839 ingeschreven aan de achterweg 562 met nog twee vrouwen. Vervolgens gaat zij goederen venten in Noordoost Brabant. Ze raakt zwanger. In 1841 bevalt Johanna Condaar in Uden van een dochter:  Mechelina Condaar. Als woonadres wordt in de geboorteakte de Hoogstraat 65 te Deursen/Dennenburg genoemd. Als beroep wordt “ventster” aangegeven. De geboorteaangifte is gedaan door de heel- en vroedmeester van Uden, L. Bodenstaff, andere getuigen zijn een schoenmaker en een kleermaker. Johanna lijkt behoorlijk aan lager wal geraakt. Op 24 november 1842 wordt ze door de arrondissementsrechtbank Den Bosch tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens landloperij. Van 24 november tot 22 februari zit ze in de gevangenis van ’s Hertogenbosch, en nogmaals van 30 maart 1843 tot 28 juni 1843, vanwege nog een veroordeling in maart 1843 wegens diefstal. Wat er met dochtertje Mechelina gebeurt in deze periode is onduidelijk, maar zeker is dat Johanna al weer zwanger is als zij de gevangenis in gaat. Want ergens tussen 19 juli en 29 juli 1843 (verschillende akten spreken elkaar tegen op dit punt) wordt haar dochtertje Johanna in Overlangel bij Herpen geboren. Op 20 juli 1843 wordt Johanna naar het huis van bewaring in Den Bosch gebracht, volgens het gevangenisregister. Onduidelijk is waarom, of er al een bevalling was geweest, en wat er met de twee kinderen gebeurt. In maart 1851 wordt er nog een jongetje, Hendricus, geboren. Deze komt wel weer ter wereld in Dennenburg, waar moeder Johanna zich weer permanent gevestigd heeft. Het gezinnetje bestaande uit ongehuwde moeder Johanna en de kinderen Mechelina, Johanna Maria en Hendricus staat inschreven op het adres Hoogstraat 56 in Dennenburg, tot Johanna haar kinderen in 1852 meeneemt naar ’s-Hertogenbosch. Ze treedt daar in 1853 in het huwelijk met Jan Tamson, lakmoeswerker, 41 jr, uit Amsterdam. Volgens de trouwakte wonen ze inmiddels in Zaltbommel, net aan de overkant van de Maas. Tamson wettigt in een moeite door haar kinderen. Het huwelijk met Tamson maakt niet dat Johanna’s situatie erg verbeterde. Tamson is een man van vele ambachten, maar geen ervan levert genoeg op. Hij werkt als schoenmaker, dan weer als venter, en dus ook als lakmoeswerker. Om het gezinsinkomen aan te vullen bedelt hij bij gelegenheid. Tamson wordt twee jaar na zijn huwelijk veroordeeld voor bedelarij:

Famson [ in latere politieberichten verbeterd in Tamson], Johannes, oud 43 jaren, laatst woonachtig te ’s Hertogenbosch, schoenmaker, in den laatsten tijd met matten rondventende, lang 1.5 el, aangezigt ovaal, voorhoofd rond, oogen vermoedelijk blaauw, neus spits en gebogen, mond gewoon, kin spits, baard rossigblond, haar en wenkbr. blond, kleur gezond. Bijzondere teekenen: draagt gewoonlijk eene want of sok om zijne hand. Gekleed met blaauw laken buis met slippen en pilow broek. Bij vonnis der arrond.-regtbank te ’s Hertogenbosch, dd. 15 Nov. 1855, ter zake van bedelarij, veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf, met bevel van overbrenging naar een bedelaarsgesticht. De officier van justitie te ’s Hertogenbosch verzoekt opsporing, aanhouding en berigt. Bron: Algemeen Politieblad, 1856

Tamson weet uit handen van de autoriteiten te blijven, ondanks het typische signalement met zijn geringe lengte, rossigblonde baard en de sok om zijn hand. Hij vestigt zich met zijn vrouw en haar kinderen in Dreumel, maar in 1857 verhuizen ze naar  Nijmegen, waar ze zich vestigen in de Steenstraat 108. Ondertussen krijgen ze nog twee kinderen, die beiden heel jong sterven. Ook Johanna’s zoon Henricus sterft, in oktober 1859, hij is dan acht jaar oud. Vijf dagen later overlijdt Johannes Tamson. Johanna Condaar senior blijft in Nijmegen wonen en overlijdt daar op achtenvijftigjarige leeftijd in 1873. Mechelina Tamson trouwt in 1867 met een parapluiemaker uit Grave en vestigt zich met hem in Apeldoorn waar ze een groot gezin opvoedt.

Generatie 3.
Johanna Maria Condaar had dus een instabiele jeugd gehad. Haar moeder was vaak afwezig, een vader had ze niet, ze woonde met haar zus en broertje op verschillende plekken, en vanaf haar elfde kwam ze al in aanraking met justitie vanwege diefstallen en bedelarij. Omdat haar moeder hertrouwde toen zij tien jaar oud was werd ze soms aangeduid met de achternaam Tamson, maar terwijl haar zus Mechelina deze naam consequent gebruikte ging Johanna na het overlijden van haar stiefvader weer vlot over op Condaar. In gerechtelijke vonnissen werd ze als ruilebuitster of ventster aangeduid. Toen ze ouder was, bleek de prostitutie een zekerdere inkomstenbron. Op 4 september 1865 beviel ze in Nijmegen, ongehuwd, van een dochtertje, Johanna Maria. De aangifte werd gedaan door de vroedvrouw Elisabeth Peters. Dit meisje werd 14 of 18 september 1866 ondergebracht in een pleeggezin, het tappersgezin De Goeij, in de Rogstraat 35 in Herpen, nadat het diezelfde maand uit Woerden was aangekomen. In Woerden bevond zich in het kasteel een grote vrouwengevangenis, waar vrouwen uit het hele land naar toe werden gestuurd. Het zou kunnen dat haar moeder zich daar bevonden had, aangezien ze op enig moment tot een half jaar gevangenisstraf was veroordeeld wegens zedenschennis. Maar dat verklaart niet waarom haar dochtertje maar liefst twee jaar in het pleeggezin bleef. Op 5 mei 1868 werd haar dochtertje opgehaald uit het pleeggezin in Herpen met officiële bestemming  Nijmegen, maar Johanna nam haar in werkelijkheid mee naar haar nieuwe stek in Rotterdam. Klaarblijkelijk was ze hoogzwanger op dat moment. In Rotterdam beviel ze op 5 augustus 1868 van een levenloos meisje. En twee weken later, op 19 augustus 1868, overleed de kleine Johanna Maria ook, nog geen drie jaar oud. Johanna kreeg een relatie met een gescheiden man, de Rotterdamse bakker Willem Johannes van Leur. Ze gingen ongehuwd samenwonen, eerst in Rotterdam, vervolgens in Delfshaven in 1872.  Samenwonen was natuurlijk een taboe in die tijd, daarom gaven ze aan de bevolkingsadministratie op dat Johanna de nicht van Willem was. Hun vorige woonplaats was Rotterdam geweest. Op 28 juli 1874 vinden we een registratie van Johanna Maria Condaar uit Overlangel, beroep: tapster, in de Halve Maanstraat 5 19 18 in Rotterdam. Maar ook is er een aantekening dat Johanna op 25 juni 1875 uit Delfshaven naar Dordrecht vertrok, onduidelijk is waarom. Willem Johannes van Leur hertrouwde inmiddels met een andere dame. Na een periode in Dordrecht keerde Johanna in elk geval terug naar Rotterdam: op 2 januari 1877 stond Johanna samen met de heren Johannes Lambertus de Raad en Aart Cornelis van Santen, zeevarende, ingeschreven op het adres Halve Maanstraat 16 in Rotterdam. De Halve Maanstraat was gelegen in de rosse buurt van Rotterdam van die tijd, “de Polder” genaamd, en de verschillende huisnummers kunnen duiden op de verschillende bordelen en tapperijen waar Johanna woonde en werkte.

Het gaat er nu dus om, om u van den “Polder” te vertellen. Aan de haven van Rotterdam die kleine stad, waar de Chineesche muur van het fatsoen omheen staat, en wier verdachte reputatie door de zeelui al wel een paar eeuwen, achtereen gretig over heel de wereld verspreid is als een besmuikte verlokking, een uitkomst voor hun dolle buien na de lange reis. Bron: M.J. Brusse, het rosse leven en sterven van de Zandstraat (1912)

Deze schrijver spreekt over de straatjes en stegen rondom de Zandstraat, waaronder de Halve Maanstraat, als een “angstwekkende krotten-doolhof”, dat door de gemeente Rotterdam in de vroege twintigste eeuw gesaneerd werd. Johanna Condaar werd uit het bevolkingsregister van Rotterdam uitgeschreven op 25 oktober 1884, met bestemming ’s-Hertogenbosch. Niet vrijwillig, maar omdat zij veroordeeld was tot een gevangenisstraf van zes jaar, alweer vanwege zedendelicten:

No. 1068, Condaar, Johanna Maria, oud 43 jaar, tapster, ongehuwd, Roomsch-Katholiek, geboren te Overlangel, laatst gewoond hebbende te Rotterdam, lang 1,56 meter, haar en wenkbr. grijs, voorhoofd hoog, oogen bruin, neus en mond gewoon, kin rond, aangezicht ovaal, kleur bleek:
Werd in 1884 door het gerechtshof te ’s Gravenhage, wegens medeplichtigheid aan diefstal, tot 6 jaar tuchthuisstraf veroordeeld, na vroeger reeds eene celstraf van een half jaar wegens vergrijp tegen de zeden te hebben ondergaan. Zij wordt 24 Juli a.s. uit de strafgevangenis te Gorinchem ontslagen en zal zich ter ontvangst harer uitgaanskas naar Apeldoorn of Deventer begeven. Haar gedrag in de gevangenis was slecht. Zij is sluw en valsch. Zij was als naaister werkzaam. Zij kan schrijven. Bron: Geheim Register ontslagen Gevangenen, 1890.

Op 24 juli 1890 werd zij ontslagen uit de gevangenis van Gorinchem. Kennelijk moest zij naar Apeldoorn om de vergoeding in ontvangst te nemen voor het naaiwerk in de gevangenis. Dit hing waarschijnlijk samen met het feit dat haar zus en enige familielid Mechelina Tamson al sinds jaar en dag in Apeldoorn woonde met haar man en acht kinderen. Toch bleef Johanna daar niet hangen. Ze keerde terug naar Rotterdam. Op 5 oktober 1890 overleed zij aldaar, slechts drieënveertig jaar oud.

***

Meer lezen over delinquente vrouwen? Lees dit of dit verhaal. Lees ook eens dit over prostitutie in het algemeen.

Bronnen:

  • BHIC, criminele vonnissen, notariële akten en gevangenisregisters
  • Tresoar, geheim register van ontslagen gevangenen
  • Wiewaswie.nl
  • CBG Verzamelingen (politieblad en familieadvertenties)
  • Rotterdam Digitale Stamboom
  • Blokhuispoort.nl
  • Wikipedia

Eén antwoord op ““Zij is sluw en valsch”, het verrotte leven van Johanna Maria Condaar”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *