Over Dolle Griet, haar moeder en haar makker

Wie de gevangenisregisters van ’s-Hertogenbosch van 1875 inziet, komt haar tegen: Margaretha Cornelia Groos, bijgenaamd Dolle Griet. Naaister, 21 jaar.

Griet Groos was weliswaar geboren in Den Bosch, maar haar moeder was een Groningse, die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden een groot deel van haar jeugd in de wezenkolonie van Veenhuizen had doorgebracht. In Norg leerde deze Jaantje Wolvinga de uit Sleeuwijk afkomstige sjouwer Frederik Groos kennen, ze trouwden in Den Bosch, maar keerden spoedig weer noordwaarts naar de Rijkswerkinrichting Veenhuizen. Later, toen ze weer in Den Bosch woonden, werden Griet (Margaretha Cornelia) in 1853 en haar broertje Nicolaas in 1856 geboren. Vader Frederik Groos was grotendeels afwezig in hun jeugd, hij bracht drie jaar door in Noord-Hollandse gevangenissen wegens opzettelijke doodslag. Zijn vrouw Jaantje hield het hoofd boven water door te wassen in een blekerij. In 1860 keerde Frederik Groos terug naar zijn gezin, maar het gevangenisregime had zijn gezondheid kennelijk geen goed gedaan. Hij stierf in mei van dat jaar in Den Bosch, terwijl Jaantje nog zwanger was van een dochtertje. Weduwe Jaantje zat in grote moeilijkheden, zonder man, met drie kleine kinderen en met amper een inkomen. Ze wendde zich tot de hervormde diaconie voor hulp, en op het advies van de diaconie besloot ze Nicolaas naar het protestantse weeshuis te brengen, zodat hij daar verzekerd was van goede zorg en opvoeding. Jaantje was zelf gereformeerd opgegroeid, en haar man was dat ook geweest, dus dit weeshuis was een logische keuze. Echter, naarmate ze langer in ’s-Hertogenbosch woonde, raakte ze steeds meer gefascineerd door het katholieke geloof, en besloot op een bepaald moment om zich te bekeren. Daarna vond ze het niet prettig meer dat Nicolaas in het protestantse weeshuis zat. Ze wilde hem terug om hem katholiek op te voeden, maar de regenten van het weeshuis reageerden afwijzend. Daarop probeerde ze het via de wettelijke weg: ze diende via een deurwaarder een vordering in bij de regenten, op 23 maart 1869. Ook hier werd geen gevolg aan gegeven. De regenten stonden op het standpunt dat de moeder, met het volle bewustzijn, haar plichten als voogdes aan hen had overgedragen, en dat zij die plichten niet door een eenvoudige wilsverklaring kon terugnemen.  Het werd een zaak die veel mediabelangstelling kreeg. Met name katholieke kranten spraken er grote schande van. Het was een misdaad tegen deze katholieke moeder! En dan spraken die verlichte protestanten zo mooi over godsdienstvrijheid?! Dit was gewoon ontvoering! Burgers die minderjarigen onttrokken aan het ouderlijk gezag kregen zo acht jaar rasphuis, en deze regenten?! Dat was de tendens van kranten als De Noordbrabanter. Jaantje Wolvinga diende een klacht in bij Justitie. Door gekonkel van de regenten moesten er eerst geschilpunten naar burgerlijk recht geslecht worden, en pas op 2 september 1869 kwam de arrondissementsrechtbank met een vonnis, waarbij de weduwe in het gelijk gesteld werd. Er werd in beroep gegaan, en zo duurde het nog tot 20 november 1869 voordat Nicolaas herenigd werd met zijn moeder.
Ondertussen was Griet een moeilijke puber. Ze sloeg haar moeder in elkaar:

MC Groos, 17 jaar, breister, beklaagd van in de avond van 1 oktober 1870 te ‘s-Hertogenbosch haar moeder de Weduwe J. Groos moedwillig te hebben geslagen, geschopt en verwond door haar in de vinger te bijten. Overwegende dat de onder eed afgelegde verklaringen der getuigen en ter terechtzitting het wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de beklaagde in de avond van de 1e oktober ll. te ‘s- Hertogenbosch haar moeder moedwillig heeft geslagen, met de voeten geschopt en in een vinger der rechterhand gebeten, door welke mishandelingen niet is gebleken dat ziekte of beletsel tot werken is ontstaan. […] Verklaart Margaretha Cornelia Groos schuldig aan het moedwillig toebrengen van slagen, stoten en verwonding aan haar wettige moeder Jaantje Wolvenga, Weduwe van F. Groos, en dat haar geaardheid de toepassing van cellulaire gevangenisstraf nodig maakt. Vonnis: Zes maanden eenzame opsluiting. (Arr. rb ‘s-Bosch 22 november 1870)

Ze stal, dronk en hing rond in huizen van vermaak:

M.C. Groos, 22 jr. naaister, geboren en wonende te ‘s-Hertogenbosch, gedetineerd. Overwegende dat de beklaagde ter terechtzitting heeft bekend op 8 oktober 1875 uit een ladetafel, staande in de woning van Johanna van Uden, weduwe Johannes Ruilen te ’s Bosch, te hebben ontvreemd een linnen zakje, waarin zich rijksdaalders, guldens, kwartjes dubbeltjes en centen bevonden met nog twee ledige linnen zakjes, zonder dat zij het juiste bedrag van het geld kan opgeven; dat zij toen eveneens heeft weggenomen en zich toegeëigend zes porseleinen kopjes en twee schoteltjes, twee witte onderrokken, een wit gestreepte onderrok; eindelijk dat zij ongeveer een week te voren bij diezelfde weduwe had weggenomen een omslagdoek en een Ons Lieve Vrouwe beeldje met stulp, dat zij in de ten processe aanwezige goederen de door haar ontvreemde herkent; dat zij het gestolen geld deels aan de getuige heeft in bewaring gegeven, en daarvan verschillende aankopen van goederen heeft gedaan. Ze kreeg achttien maanden eenzame opsluiting. (Arr. rb ”s-Bosch 2 nov. 1875 )

pottevrouwtje
Hoewel de leeftijd niet klopt, blijkt wel dat Griet al een reputatie had (Provinciale Noord-Brabantsche en ’s Hertogenbossche Courant, 12-10-1875

Een politiefunctionaris verklaart over Griet tijdens de terechtzitting “… dat de beklaagde een slecht en liederlijk gedrag leidt; dat alle pogingen, in het werk gesteld om haar op den goeden weg te helpen, door haar onwil zijn verijdeld, dat de bestolene is een arme oude vrouw die met moeite voor haar en twee arme bloedverwanten den kost verdient; dat de beklaagde is aangehouden in een huis van ontucht, alwaar zij met anderen het geld zat te verbrassen.”

Na deze gevangenisstraf, die ze grotendeels in de gevangenis van Rotterdam doorbracht, ging ze weer in ’s-Hertogenbosch wonen. Kennelijk was het weer goed met haar moeder. Misschien was Griet gewoon driftig aangelegd, misschien kwam haar “dol-“heid door die instabiele jeugd, waarin gezinsleden zomaar verdwenen en verschenen en elke dag een gevecht was om te overleven.

Ze leerde de Limburgse smid Willem Hubert Moonen kennen. In 1878 beviel ze van een dochtertje, Adriana Maria Hubertina. Een jaar later vestigde ze zich samen met haar moeder en broer in Tilburg-Broekhoven met haar dochtertje, waar ze enige tijd later trouwde met haar vriend Moonen. Hij werkte als arbeider/smid, zij werkte als dienstbode. In maart 1879 keerden haar moeder en broer terug naar Den Bosch. Griet bleef met Willem en hun dochtertje in Tilburg. Helaas stierf de kleine Jaantje in januari 1880. Griet en Willem vestigden zich enkele maanden later in Den Bosch, maar het huwelijk liep op de klippen. Willem ging vermoedelijk terug naar Limburg, en Griet vestigde zich in Breda, waar zij ging werken als publieke vrouw.

Johannes Reinier van Vlierden, 1884
Johannes Reinier van Vlierden, 1884 (bron: Tresoar, geheim register)

Een bepalend moment voor Griet was de kennismaking met Jan van Vlierden. Hij werd voor langere tijd haar kameraad. Deze huisschilder/behanger uit een keurig milieu had al jong in diverse tuchthuizen en inrichtingen gezeten. Ook was hij eens tot in Oran (Algerije, toen behorend bij Frankrijk) gereisd, waarschijnlijk om gevangenisstraf te ontlopen. Hij verdiende soms wat als orgeldraaier. Zuipend, stelend en zwervend zorgden Griet en Jan voor zichzelf en elkaar. De politie deed regelmatig oproepen om het stel op te laten pakken vanwege diverse straffen die zij nog te ondergaan hadden, voor vernieling, openbare dronkenschap, schennis van de eerbaarheid.

De Grondwet 05-07-1888 arr. reb Breda
(De Grondwet, 05-07-1888)

In de zomer van 1888 werden Griet en Jan opgepakt wegens landloperij in vereniging. Beiden werden apart van elkaar naar Veenhuizen gestuurd. Jan bracht nog een periode door in het rijkskrankzinnigengesticht Medemblik, en kwam uiteindelijk in de rijkswerkinrichting Hoorn. Griet werd naar Oegstgeest overgeplaatst. Na hun vrijlating zijn ze weer naar elkaar op zoek gegaan, en ergens in 1890-1891 vond hereniging van het stel plaats. Dat ontging ook de politie niet:

De officier van justitie te Maastricht verzoekt opsporing en aanhouding van: Jan of Johannes van Vlierden, zich ook noemende Hubertus Moonen, 35 jaren, schilder, rondreizende met een vrouw, zich noemende Margaritha Groos, wordt verdacht van diefstal van: 3 witte hemden; 1 paar ongekleurde sokken; 1 bonte halsdas met rode rand; 2 stoffen ondervesten, een zwart en een grijs; 2 dito jassen, waarvan de grijze met grijze knopen, onder de armen versteld is, waarschijnlijk met dezelfde stof (412). Die voorwerpen zijn ontvreemd ten nadele van Lambertus Willems, in het logement Knipschild in de Stokstraat te Maastricht. (Politieblad 1891)

20160512_132118Op 21-01-1892 stonden Griet en Jan in Breda terecht voor diefstal, althans heling:

  1. Johannes Reinier van Vlierden, 36 jaar, orgeldraaier (schilder), geboren te Fijnaart
  2. Margaretha Cornelia Groos, 38 jaar, werkvrouw geb. ‘s-Hertogenbosch, beiden wonende te Breda

Ene Charles de Roy van Zuydewijn had in de nacht van 1 op 2 januari in stomdronken toestand naar zijn gouden ring lopen zoeken op de Oude Vest in Breda, rond kwart voor twee. Hij verklaarde hierover: “Hij is van mijn vinger afgevallen vermoedelijk; dit is wel meer gebeurd. Ik heb die ring aan niemand gegeven. Toen ik naar de ring zocht kwam er een persoon aan ’t zoeken met mij, maar ik herken ze niet.” De hoofdagent van politie te Breda verklaarde dat toen de heer de Roy wegens dronkenschap ’s nachts tegen drie uur op t politiebureau werd gebracht, hij gezegd had dat hij zijn ring miste. Johannes Cools, 37 jaar, koopman te Breda, verklaarde: “De mij vertoonde ring heb ik gekocht van de beklaagde Groos voor f 8,50 op 2 januari ’s middags. Zij zei die verdiend te hebben. Van Vlierden was daarbij; de vrouw stak het geld op.” Van Vlierden verklaarde: “De mij vertoonde ring heb ik 2 januari bij vrouw Groos gezien, Griet Groos zei dat zij die verdiend had en hield dit later vol. Ik heb hem naar de lommerd gebracht en zij heeft die met mij weer teruggehaald. Zij heeft die bij Cools verkocht en zij heeft het geld opgestoken. Het geld dat bij mij in beslag is genomen (f 4,75) was mijn geld; in Norg ben ik uit de gevangenis ontslagen met f 13,50.” Griet Groos verklaarde tenslotte: “Die ring heb ik verdiend van een heer; ik heb die ring verkocht aan Cools; Van Vlierden heeft er geen cent van gehad. Die mijnheer was zeer dronken.” Het vonnis luidde: vrijspraak voor Jan, vijf maanden gevangenisstraf voor Griet. De gouden ring werd overigens aan Cools teruggegeven, en niet aan De Roy van Zuydewijn.

Na het uitzitten van deze straf zwierf Griet naar Antwerpen en vervolgens ging ze naar Roermond, waar ze weer eens beboet werd wegens openbare dronkenschap. Misschien was ze op zoek naar Jan, maar die werd ongeveer een maand na haar vrijlating weer opgezonden naar Veenhuizen, in juli 1892, en zou ondanks ontsnappingspogingen pas na nog een tuchthuisstraf in Hoorn in 1895 vrij worden gelaten. Het leek erop dat hij in deze periode een inzicht had gehad. Hij verkoos om nogal plotseling te trouwen in Rotterdam met de dertien jaar jongere Maria Cornelia Huijser, en hij kreeg met haar drie zonen. Het gezin woonde in de Laanzichtstraat. Toch zou hij nog eens veroordeeld worden wegens openbare dronkenschap. Het is niet duidelijk of Griet en Jan elkaar nog eens hebben teruggezien na Jan’s terugkeer en huwelijk. In 1902 overleed Johannes Reinier van Vlierden op zesenveertigjarige leeftijd.

Het leven van Griet is moeilijker te volgen na 1893. Ze wordt nog een aantal keer gestraft wegens openbare dronkenschap, in Tholen en in Breda. Daarna is ze jarenlang niet terug te vinden in archieven. Ergens rond 1900 is haar officiële echtgenoot Willem Hubertus Moonen kennelijk overleden. Ze trouwt in Amsterdam met een Oostenrijker, Berkelo genaamd, en na diens overlijden vestigt ze zich in november 1913 in Rotterdam, in de Schavensteeg 18. Weer een jaar later trouwt ze in ’s-Hertogenbosch met de blinde schipper Martinus Smolders uit Nieuwkuijk. Het bruidspaar is al flink op leeftijd, 61 en 59 jaar oud. Ze wonen in Breda en Middelburg, waar Smolders in 1923 overlijdt. Griet woont vervolgens op verschillende adressen in Breda. Op 22 december 1925 wordt ze opgenomen in het Oude Mannen- en Vrouwenhuis in Middelburg, op 25 januari 1926 overlijdt Dolle Griet, tweeënzeventig jaar oud.
NL-MdbZA_25_MDB-O-014709

***

Meer over vrouwen die als publieke vrouw de kost verdienden lees je hier en hier. Dit achtergrondartikel geeft daarbij meer inzicht.

Geraadpleegde bronnen:

  • BHIC criminele vonnissen en akten
  • BHIC gevangenisregisters
  • stadsarchief.nl
  • Delpher.nl
  • tresoar.nl
  • zeeuwengezocht.nl
  • alledrenten.nl
  • allegroningers.nl
  • noord-hollandscharchief.nl
  • cbgverzamelingen.nl
  • wiewaswie.nl
  • openarch.nl
  • rotterdam.digitalestamboom.nl
  • stadsarchief.breda.nl
  • denhaag.digitalestamboom.nl

2 antwoorden op “Over Dolle Griet, haar moeder en haar makker”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *