Interview met Jan Habraken, burgemeester van Zeelst (1846-1891)

Was u de Donald Trump van de negentiende-eeuwse Kempen?
Zeg, als u zulke vragen stelt wordt dit een kort gesprek. Ten eerste, voor zover ik heb begrepen is die Donald Trump een Pruis en een protestant. Daar wil ik als goed katholiek niet mee geassocieerd worden. Ik moet ook niets hebben van veelwijverij, echtscheiding of pronkzucht. Mijn vrouw is altijd mijn enige vrouw geweest. Haar zusters en een van mijn dochters zijn religieuzen. Wij hebben altijd ruim gedoneerd voor kerkelijke collectes. Bovendien ben ik koningsgezind. Mijn woning heb ik gebouwd op doelmatigheid, niet om mijn rijkdom te laten zien. Ik heb een ambtstermijn van vijfenveertig jaar gehad, terwijl die Pruisische windbuil net komt kijken. Waarom ziet u een overeenkomst, als ik vragen mag?

U bekleedde een machtige positie in Zeelst. Niet alleen was u burgemeester, maar ook fabrikant, winkelier, slijter en linnenhandelaar. U kon mensen maken of breken, door hen arbeid en levensmiddelen te gunnen of te onthouden en door negatief of positief over hen te rapporteren aan justitiële instanties.
Ja, wat hij en ik misschien gemeen hebben zijn onze pogingen om op verschillende manieren onze ambities waar te maken, om daarmee onze kinderen te bevoorrechten. Ik heb mijn inwoners altijd beoordeeld op hun deugdzaamheid en braafheid, en deze afdoende beloont. Een mens moet financieel behendig zijn, en zich altijd voegen naar zijn positie. Een arbeider in mijn fabriek wordt niet rijk, maar krijgt voldoende om daarmee in mijn winkel eten te kopen. Hij kan in zijn positie wel eigenwijs of opstandig zijn, maar dan kiest hij ervoor om op straat te creperen. Kijk maar naar jouw voorouders [Peer en Jan van Brussel, red.], of kijk naar Jan van Kuijk.

Dat creperen op straat had niet gehoeven, als u als burgemeester had gezorgd voor de juiste zorg.
Ik ben altijd zuinig met geld geweest. Dat is wat mij als voormalig ambachtsman rijk heeft gemaakt. En dat is wat Zeelst een schuldenvrije gemeente heeft gemaakt. Opname in een krankzinnigengesticht wordt op de gemeente verhaald. Opname in de gevangenis of een bedelaarsgesticht kost de gemeente niets. Ziet u? We hadden al drie echte krankzinnigen in de gemeente, waarvoor de gemeente financieel verantwoordelijk was. Ik weet echt wel wanneer iemand gek was. Ik heb altijd bestreden dat Jan van Brussel krankzinnig was. Als je tegen hem sprak gaf hij antwoord. Hij was geen imbeciel, had geen rare neigingen en hij was fysiek zeer sterk. Is dat een krankzinnige? Nee! Dan is mijn conclusie dat hij alleen lui en eigenwijs is, dat hij niet op een fatsoenlijke manier aan de kost kon komen. Wat Jan van Kuijk betreft, die had een grote mond en een chronisch drankprobleem. Dus het lef dat hij mij op zijn oude dag letterlijk kwam smeken om te worden opgenomen! Toen ik hier niet op inging, probeerde hij het zelfs bij de rechter in Den Bosch. Hij zou blij zijn om naar een bedelaarsgesticht worden opgezonden. Waarom zou ik daaraan meewerken? Het instituut is bedoeld als straf, niet als beloning voor luie donders die hun hele leven in de contramine zijn. Hij was een wever, dan moet hij niet gaan zeggen dat hij zonder ambacht is. Dat hij geen onderdak had was ook zijn eigen schuld. Nee, hij kon niet in mijn fabriek aan de slag. Zoals ik al zei: ik wil brave en deugdzame werknemers. Ik heb mijn medefabrikanten in Zeelst ook afgeraden hem in dienst te nemen. Ook kon er wat mij betrof geen sprake van zijn dat hij in een Oude Mannenhuis zou worden opgenomen, hij was een onruststoker. Hij heeft het op zichzelf afgeroepen dat hij tenslotte dood aangetroffen werd.

Waarom rapporteerde u in 1874 aan de kantonrechter in Eindhoven dat er geen kinderarbeid was in Zeelst?
Het kinderwetje Van Houten had betrekking op kinderarbeid in de fabrieken. Daarom 1900 1910 nabij Zeelst, in de verte de kerkmaakte ik onderscheid in mijn bericht. Ik heb gezegd: “die-en-die zijn bij de pellenwevers, maar er zijn geen kinderen beneden de 10-12 jaren op de fabrieken werkzaam.” En zo is dat.

Maar een pellenweverij, zoals u in Zeelst had, is toch een fabriek?
Dat is een kwestie van definitie.

Hoe verklaart u de namen van de kinderen van de veldwachter in uw bericht, waarin u zeven kinderen bij naam noemde? Francisca en Maria werkten bij de pellenwevers, terwijl zij slechts 6 en 7 jaar oud waren.
Och, het waren flinke meisjes. Ze hebben altijd naar tevredenheid gewerkt. In een weverij spoelen winden en aangeven is echt niet zo zwaar. Vergelijk het maar eens met werken in steenfabrieken. Daar is werk dat echt niet door kinderen gedaan zou moeten worden. Het loon van een veldwachter is niet veel. Zoals ik al zei, men moet financieel behendig zijn. Maas was dat, en ik ben dat ook.

Gewetensvraag: zou u uw eigen kinderen op zo’n jonge leeftijd laten werken?
Uiteraard niet, wat een impertinente vraag. Kijk, wij hebben nu eenmaal drie standen in Zeelst: de boeren, de ambachtslieden/fabrikanten en de armen. Elke stand heeft zijn eigen mores. Kinderarbeid is voor de boeren en de armen normaal. Dat is altijd zo geweest, en wij hebben daar als ambachtslieden/fabrikanten alleen maar profijt van. Dus wat is het bezwaar? Naar school gaan is voor veel kinderen van armen een onnuttige bezigheid. Ze kunnen maar beter gaan werken.

Ik zie nog een overeenkomst met Donald Trump. Klopt het dat u uw dienstplicht ontlopen heeft door een arts te betalen om voor u een medische verklaring op te stellen?
Geen commentaar.

#MeToo. In uw tijd was er een notoire aanrander in uw gemeente, waar in elk geval Antonetta Lodewijks en Henrica de Greef slachtoffer van werden. Vooral het gemeentelijke proces-verbaal met betrekking tot Henrica de Greef is hier erg duidelijk over. Ik citeer uit het door u opgestelde proces-verbaal, gedateerd 16 augustus 1853: “Middelerwijl was Martinus van Keulen in haar huis bij voornoemde hare dochter Henrica de Greef gekomen, en presenteerde haar vijftig cents als zij met hem tot oneerbaarheid wilde instemmen, het meisje zulks weigerende heeft Martinus van Keulen de lamp uitgeslagen, haar aangevallen, de rokken opgeraapt en getracht haar met geweld te noodzaken om aan zijne lusten te voldoen.” Toen hij twee jaar later een gevangenisstraf kreeg omdat hij u beledigd had, waren de “de goede antecedenten des beklaagdes” verzachtende omstandigheden. Wat vindt u hiervan?
Ja, op het moment dat die zaak over de belediging diende vond ik het wel jammer dat ik nooit bij de rechter-commissaris de aandacht op de aanranding had gevestigd, dan had hij nog wat langer dan tien dagen mogen brommen. Maar ik had destijds mijn plicht gedaan: proces-verbaal opgemaakt van de aanranding. Uiteraard keur ik aanranding van de eerbaarheid sterk af. Martinus van Keulen was een dégeneré van het ergste soort. Ik wist dat eerbaarheidsdelicten bijna niet te bewijzen zijn, dus ik heb het verder niet onder de aandacht van Justitie gebracht. Bovendien konden de getuigen allemaal niet ondertekenen. Martinus heeft toch wel zijn verdiende loon gekregen. De wevers hadden zo hun eigen manieren van berechting. Gelukkig koos hij zijn slachtoffers alleen uit de weverskringen in Cobbeek. Die meisjes hadden toch al een dubieuze moraal. Er was er bijna geen bij die niet al een kind had als ze ging trouwen. Je zou er toch niet aan moeten denken dat zo iemand als Van Keulen aan je eigen dochter komt.

Wat is uw mening over alcoholische drank?
Ik drink persoonlijk niet en minacht mensen die afhankelijk zijn van drank. Tegelijkertijd onderken ik volledig het sociale nut van drank. Als slijter heeft de verkoop van bier en jenever mij geen windeieren gelegd. Bij verkiezingen of sociale festiviteiten liet ik de drank gratis vloeien. Het verbaast u misschien, want dat lijkt verspilling. Maar zoals u inmiddels weet heb ik een zakelijk instinct. Ik maakte een kosten-batenanalyse. Gratis drank, mits beperkt beschikbaar en op ’t juist moment geschonken, kweekt goede zin bij mijn inwoners. En dat zorgt voor gunstige verkiezingen en drukt opstandigheid de kop in.

Wat deden mensen van uw stand in de vrije tijd?
Interessante vraag. Op individuele basis kon men natuurlijk een kaartje leggen of biljarten in een van de herbergen, maar in georganiseerd verband hadden wij het O.L.V. gilde en het Sint Jorisgilde. Bij elke feestelijkheid waren zij present, met kleurrijke vaandels en opsmuk. Geregeld waren er schuttersconcoursen, die waren erg amusant en vormden een uitstekende gelegenheid tot ontmoeting van gelijkgestemden. Verder had Zeelst zijn harmonie, die voorstellingen gaven in koffiehuizen. Ook waren hardrijderijen met pony’s enige tijd in zwang. Ik was zelf erg gesteld op de landbouw- en nijverheidstentoonstellingen zoals die in Eindhoven. Het was uit zakelijk oogpunt ook erg interessant om deze te bezoeken. Het bood gelegenheid kennis te nemen van de nieuwste ontwikkelingen en de concurrentie op textielgebied. Ik won wel er wel eens een prijs, met mijn boschband bijvoorbeeld.

Waren die evenementen ook toegankelijk voor de armen?
Ze mochten gerust komen kijken naar de harddraverijen en de openbare feesten. Verder hadden we in Zeelst geregeld kermis. In nabijgelegen gemeentes, zoals in Oirschot, konden ze naar de jaarmarkt. Bovendien was er op elke vijf wevershuisjes wel een huisje, waarvan de herd als herberg diende. Daar amuseerden ze zich op hun eigen volkse manier, door dronken te worden, of misschien door te rikken [Brabants kaartspel, red.], dieren te plagen of elkaar te bevechten.

Hoe verklaart u uw zakelijk succes? Is dat niet een kwestie van strategisch trouwen geweest?
Ik ontken niet dat mijn huwelijk een succesvolle alliantie was. Mijn vrouw was de dochter van mijn ambtsvoorganger, burgemeester De Wit. Mijn schoonvader was al een linnenfabrikant van betekenis. Ik maakte kennis met hem toen hij mij vroeg de rietkammen voor zijn getouwen te maken. Mijn familie had een goede reputatie opgebouwd als rietkammenmakers in Woensel en omstreken, begin negentiende eeuw, toen de linnenweverijen nog floreerden. Het had ons al welvarend gemaakt, toen ik voor het eerst in Zeelst kwam. Toen bleek dat mijn schoonvader zijn dochter wel aan mij wilde paren, zag ik dat wel zitten. Maar ik wijt mijn zakelijk succes niet aan dit huwelijk. Ik heb financieel inzicht, dat is altijd de sleutel tot succes.

Iemand verweet u in 1879 dat u zich met het bloed van de arme mensen rijk heeft gemaakt. Een ander noemde u in 1868 een prutsburgemeester. Wat vindt u hiervan?
Lastposten en dronkelappen. Ik was vijfenveertig jaar lang burgervader van Zeelst. Dan kan het wel eens voorkomen dat iemand boos of opstandig wordt. Uiteindelijk trokken mijn beledigers aan het kortste eind, want ik heb altijd met succes aangiftes opgemaakt van belediging.

U heeft een lange ambtstermijn gehad. Waar bent u het meest trots op?
Ik ben in het harnas gestorven.

***

Meer lezen over Zeelst? 

2 antwoorden op “Interview met Jan Habraken, burgemeester van Zeelst (1846-1891)”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *