De smeuiigste processen-verbaal van de gemeente Zeelst 1841-1888

SLA HAAR MAAR DOOD!

Op woensdag 14 april 1841 werden rond tien uur ’s avonds werd bij het huis van wever Jan van der Linden het houtwerk, een raam en de daarin staande ruiten stuk geslagen. Linders’ vrouw Maria Smulders liep daarop naar buiten, om poolshoogte te nemen. Jan en zijn zoon Johannes zagen dat Magiel van Rooij, een wever uit Strijp, haar onmiddellijk een zodanige slag met een stok op het hoofd gaf dat zij bijna de hersenen boven de oogen op haar hoofd kreeg. Zij stortte onmiddellijk bewusteloos ter aarde, waarop de dader nog steeds met een klomp op de gewonde vrouw bleef inslaan, terwijl de moeder van de dader, Anna Maria Pero, haar zoon ophitste door te roepen: “Sla haar maar dood!”. De genees- en heelmeester Van Renswoude te Eindhoven moest de vrouw behandelen.

ALLES VERLOREN, RAMPSPOED GEBOREN

Op 13 oktober 1842 vond er een ramp plaats in Zeelst. In de Kruisstraat brandden de huizen, stallen, schuren en roerende goederen van Dirk van den Berk, bouwman, Jan Hubers Senders, wever, Peter van Kuik, wever, kinderen Leonardus van Rijsingen, wevers tot de grond toe af. Jan Hubert Senders en Peter van Kuijk zijn door de ramp in zodanige staat vervallen, dat hun niets meer is overgebleven, ze zullen het ongeluk zonder tegemoetkoming nooit te boven komen. De kinderen Leonardus van Rijsingen zijn door de ramp in een volslagen armoedige staat gedompeld, terwijl hun huis niet tegen brandschade was verzekerd. Er is hen niets overgebleven dan enige kledingstukken van geringe waarde, en zullen nooit het ongeluk te boven kunnen komen zonder billijke tegemoetkoming.

GEVAAR VOOR DE SAMENLEVING

De burgemeester van Zeelst verzocht in 1843 de officier van Justitie om maatregelen tegen Anna Baselmans, oud ongeveer 52 jaar, zonder beroep, wonende te Zeelst, omdat er voor de gemeente groot gevaar ligt opgesloten in hare levenswijze. Zij had geen ouders of middelen van bestaan, en bevond zich volgens de burgemeester in een zinneloze toestand. Volgens de burgemeester was het zeer noodzakelijk haar onder voogden te doen stellen, om haar in een gesticht onder te brengen.

  • Op 13 januari 1843 verklaarde Francis Pero, 71 jaar, dat hij door de zinneloze persoon die Anna Baselmans heette, op de openbare weg te Zeelst genaamd den Heuvel ter aarde is neergeslagen. Verschillende getuigen konden dit bevestigen.
  • Cornelus Kuijpers verklaarde dat Anna Baselmans een kamer van zijn huis bewoonde, terwijl hij zelf de rest van het huis bewoonde. Zij zou al verschillende keren ’s avonds en ’s nachts op een ongeoorloofde manier in haar kamer vuur hebben ontstoken. Het maakte hem en andere inwoners van de gemeente zijn erg bezorgd, vanwege het brand- en schadegevaar. Anna Baselmans zou aan geen enkele vermaning hierover gehoor hebben gegeven.

…WAAR WILLEM WEVER WOONT

Op 18 maart 1843 meldde de burgemeester van Zeelst zich middels een boze brief naar de arrondissementsrechtbank te Eindhoven. Hij verwees in de brief naar een missieve van de gouverneur van de provintie, om de rechtbank op de hoogte te brengen van een gepleegd misdaad. Een wever, Willem Weeteling, had, zonder de daartoe benodigde authorisatie, noch zonder voorkennis van het gemeentebestuur alhier, de stoutheid [heeft] aangenomen, om op gemeentegronden eene woning of zoogenaamde hut te bouwen en heeft tevens eenige woeste gemeentegrond ontgronnen; alles strijdende tegen den wil en het belang dezer gemeente. Hij hoopte op een veroordeling, zodat soortgelijke acties van anderen voorkomen zouden kunnen worden.
P.S. De burgemeester kreeg zijn zin: op 6 december 1843 werd onze ondernemende Willem gevangen gezet in Den Bosch.

WAT ZEGT GIJ DAAR?!

Jan Boogers, wever uit Zeelst, kwam op donderdag 9 mei 1844 rond zes uur ’s middags naar de woning van Hendrikus Boogers. Hij begon Hendrikus en zijn vrouw met veele slechte verwijtingen en scheldwoorden toe te spreken. De vrouw van Hendrikus, Lamberdina, zei tegen Jan: ik ben zoo goed als jij. Daarop kwam Jan op haar af en zei: “Wat zegt gij daar?” Meteen gaf hij haar zo’n harde klap tegen haar hoofd dat zij daarvan geheel is ontsteld geworden en een dag later nog niet was hersteld. Hendrikus deed de volgende dag aangifte. Als getuigen geeft Hendrikus op: Elisabeth Eliens, de vrouw van Jan, Johanna Boogers, particuliere 17 jaar oud en Johannes Janssens en Petronella van Helmont, die hebben gezien dat Lamberdina ontsteld was na geslagen te zijn.

GELEEND GELD

Op 6 oktober 1844 kwam Jan Bogaars, wever, bij de burgemeester voor de volgende klacht: Op donderdag, 3 oktober, had hij zich bevonden op de jaarmarkt in Oss, daar kwam Hendrik Smulders, linnenreder uit Zeelst, bij hem staan. Die bood aan om mee te gaan naar Johannes van Berkel, koopman in linnen te Berghem, die ook in Oss was, om met Van Berkel, die aan Bogaars f 86,40 schuldig was, af te rekenen. Bogaars en Smulders gingen naar de tapperij waar Van Berkel was. Van Berkel telde op de tafel de som van f 86,40 uit. Bogaars haalde daarop een geldzak, waarin al geld zat, uit zijn broek om de op tafel getelde som geld daarin te doen. Terwijl hij hiermee bezig was kwam Smulders erbij en greep de buil vast. Bogaars hield de buil stevig vast, maar toch nam Smulders hem van hem af. Bovendien plaatste hij zijn hand op het geld dat nog op tafel lag. Bij dit voorval waren aanwezig: Johannes van der Sanden, wever, en Christiaan van Santvoort, beiden uit Zeelst en aanwezig in Oss. Twee weken geleden had Bogaars 50 gulden ontvangen van Smulders, en nu eigende Smulders zich 50 gulden toe. De zak met het resterende bedrag stelde Smulders in Oss in bewaring bij een herbergier op de markt te Oss, die waarschijnlijk Peter van Beusekom heette, en daar zou de geldzak tot dusverre nog zijn. Bogaars verklaarde zich bereid om de zaak met Smulders in der minne af te doen. De twee getuigen bevestigden het verhaal in zoverre, dat Smulders eerder 50 gulden in leen had gegeven aan Bogaars, en dat Bogaars op dat moment weigerde Smulders terug te betalen.

GEEN GEWELDIGE DOOD

Wouter Smulders, wever, verklaarde op 18 oktober 1844 dat bij het gehucht Heistraat, in een kuil of poel, bij het huis van Jacobus Kouwenberg is verdronken een kind met namen Johanna Couwenberg, oud ruim twee en een half jaar. De burgemeester ging meteen ter plaatse. Het kind van Jacobus couwenberg, wever, en van Henrica Heesterbeek, was reeds naar binnen gebracht. De natte kleren waren verwijderd en het kind was behoorlijk verwarmd in een wieg gelegd. De burgemeester stelde “de middelen tot herstel van drenkelingen zoals voorgeschreven bij publicatie van den 13 october 1796 opgenomen in het provinciaal blad van 1820 no. 46” zo veel mogelijk in het werk. Bovendien was er hulp van N. Sprengers, medicine doctor en dhr Van Lierop, dokter en chirurgijn, die beiden uit Eindhoven waren gesneld, en die alle hun bekende middelen tot herstel van het kind hebben aangewend. Ze verklaarden echter dat het volgens hen al was overleden, maar dat zij geen tekenen van een geweldigen dood hebben kunnen bespeuren.

ZAND EROVER

Op 4 april 1850 kwam Maria Eliens, huisvrouw van Jacobus van Rooij, bij de veldwachter en vertelde dat zij gehoord had dat in het huis van de weduwnaar Jan van der Linden onder de vuurhaard een koperen ketel en een koperen komfoor verborgen was. Het zou diep in de grond verborgen zijn. De veldwachter ging dadelijk naar het huis van de weduwnaar, en in de aanwezigheid van Willemijn van Rooij, huisvrouw van Henricus van der Linden, ging hij aan het graven onder de haard. Weldra trof hij de ketel en het komfoor aan. De voorwerpen werden in beslag genomen, omdat het vermoeden bestond dat zij door Van der Linden gestolen waren. De officier van Justitie in Eindhoven werd in kennis gesteld.

HEIPLAGGEN

Henricus Dekkers, veldwachter van Gestel en Blaarthem verscheen op 10 september 1853 om te vertellen dat hij rond tien uur ’s ochtends op de heide tussen Zeelst, Gestel en Blaarthem, Veldhoven en Meerveldhoven bevond en Henricus van den Berk, bouwman, aantrof. Van den Berk was bezig op zijn kar, die met een os bespannen was, heideplaggen te laden. Dit was in strijd met de bepalingen van het reglement op het steken van heiplaggen of het mogen afvoeren van heide door de raad van Zeelst, Gestel en Blaarthem, Veldhoven en Meerveldhoven. Daarom werd Van den Berk gearresteerd en werd er proces-verbaal opgemaakt.

GAUW, GAUW, EEN SCHELM!

’s Avonds laat op 24 februari 1856 kwam Lucia van Lommel, huisvrouw van wever Willem de Greef, aan de deur bij de veldwachter van Zeelst. Ze riep: “gauw, gauw, hier is een schelm!”. De veldwachter kwam onmiddellijk bij haar, en vroeg haar: “Waar is die schelm, en wie is hij?” Zij zei: “Die is weggeloopen, maar het was Antonetha Couwenberg.” Vervolgens vroeg de veldwachter haar wat en waar gestolen was. Lucia van Lommel vertelde dat Antonetha Couwenberg bezig was met aardappelen die binnen haar huis, staande en gelegen op de Jept binnen deze gemeente, waren geplaatst te stelen. Ze had daartoe een gat gemaakt onder de plaai van een gelookken want, en zelfs [door] look uit dien want te breeken. Ik heb met behulp van het dialectwoordenboek en het forum van Wat Staat Daer bedacht dat deze raadselachtige taal betekent dat Antonetha onder een plank of lat van een gevlochten wand een gat had gemaakt en daartoe zelfs vlechtwerk uit de wand gebroken had (de hutten van de armen waren meestal geheel of gedeeltelijk opgetrokken uit gevlochten hele dunne mastboompjes, takken of biezen). Nadat de veldwachter dit zelf had vastgesteld ging hij naar de woning van Antonetha Couwenberg, spinster, en verzocht haar eens met haar mee naar de burgemeester te gaan. Onderweg ondervroeg hij haar over de diefstal. In eerste instantie ontkende zij, maar daarna verklaarde zij dat zij het had gedaan en dat zij vroeger ook al aardappelen had weggehaald bij Jacobus de Greef, de schoonvader van Lucia van Lommel. De veldwachter vroeg haar: “Waar zijt gij nu met de gestolen aardappelen gebleven? ” en hierop antwoordde ze hem dat zij die in de hof van Jacobus de Greef had geschud. Inderdaad trof de veldwachter de volgende ochtend de aardappelen daar aan. Ze werden in bewaring genomen als bewijsstukken.

BROOD STELEN

Winkelierster Adriana Janssens, weduwe van Johannes van Nuenen, maakte haar opwachting bij de burgemeester en verklaarde dat in de nacht tussen 3 en 24 december 1859 uit haar bakkerij ontvreemd waren:

2 lege rogzakken met lijst, gemerkt IVN, gelapt
1 gekeperde baal ongeveerd 2 ellen breed 4 1/2 el lang
1 paar grijs (bruin en wit) zakken
1 blaauw laken gelapte buisje met kleinslipjes
2 rogge mikken een ronde en een hovaal
1 zakje boekwijtmeel ongeveerd een kwart zak

De bakkerij was niet afgesloten geweest. Er waren geen vermoedens omtrent de dader van deze diefstal.

WONINGNOOD

Petrus Reniers van beroep arbeider, oud 61 jaar, en zijn vrouw Maria Aarts, 53 jaar, deden op 10 maart 1878 aangifte omdat op zondag 10 maart jl Petrus Henricus de Greef met zijn gezin, bestaande uit vrouw en twee kinderen, zonder voorafgaande vergunning een woonhuis dat toebehoorde aan de algemene armen van de gemeente in gebruik genomen had, waarvan Petrus Reniers de vergunning had deze als bergplaats te gebruiken. Reniers had geprotesteerd en geweigerd hem de sleutel van de woning te geven. Vervolgens werd de deur door Jacobus de Greef met geweld ingetrapt. Daarna namen zij bezit van voorzegde woning en gooiden hetgeen zich daarin bevond, bestaande in brandstoffen en eenig huisraad, de straat op.
1. Petrus Reniers: Adrianus Neggers kwam bij mij om de sleutel van die woning, dus ik weigerde hem te geven. Daarop kwam Jacobus de Greef en trapte na gezegd te hebben: “ik heb de sleutel van alle deuren” de deur in. Vervolgens ging hij de woning binnen en gooide eenige borden, brandhout en een weversspoel, mij toebehorende, de buitendeur uit.
2. Adrianus Neggers, van beroep wever, 27 jaar: “ik heb gezien dat Jacobus de Greef de deur intrapte, dat toen hij er in was daaruit brandhout en een weversspoel op straat gooide en dat ze, toen ze er ingehuisd waren, koffie gingen zitten drinken”.
3. Jacobus de Greef, van beroep arbeider, oud 30 jaar, beklaagde, werd door de gemeenteveldwachter uitgenodigd voor de burgemeester te verschijnen ten einde hem te horen over de hem ten laste gelegde feiten, waarop hij de gemeenteveldwachter antwoordde: “Het is later tijds genoeg daarover iets te zeggen en dat ben ik thans niet van zin”. Later is deze persoon niet meer voor de burgemeester verschenen. Zie ook het verhaal: home sweet home in Zeelst.

GEITENSTAL

Op 22 juni 1877 kwam Antonius Bijnen, 71 jaar, wever, bij de burgemeester en verklaarde dat hij die dag in de ochtend rond half zes Peer de Greef, wever, bezig had gezien met het omhakken van dennenhout in het bos in deze gemeente dat het eigendom was van Jan Swane, gemeentesecretaris. Daarna zag hij dat Peer de Greef er ongeveer 90 boompjes ter dikte van een boonstaak naar zijn huis droeg en bij het huis neerlegde. Peer werd gehoord door de gemeenteveldwachter. Hij bekende de diefstal en zei dat hij met het gestolen hout een geitenstal ging maken, alsmede dat hij het hele bosje zou afkappen en naar huis halen.

HET GAAT NIET GOED MET HAAR

Veldwachter Adrianus Maas en klompenmaker Franciscus van Keulen maakten op 18 augustus 1877 hun opwachting bij de burgemeester en verklaarden het volgende: in het belang van de openbare orde en van de veiligheid van personen was het nodig dat Hendrina van Keulen, echtgenote van Johannes Sweegers, overgebracht werd naar het krankzinnigengesticht om daar te worden verpleegd. Dit vanwege het volgende:
1. Omdat zij zichzelf als zij daartoe gelegenheid ziet van het leven zal beroven
2. Omdat zij haar bewaarders als zij daartoe gelegenheid ziet zou hinderen of van het leven zal beroven.

HET BLOED VAN DE ARME MENSEN

Op 9 mei 1879 rond zeven uur ’s avonds meldde Johannes van Kuijk zich bij Jan Habraken, burgemeester van Zeelst. Jan van Kuijk, een 56-jarige wever zonder vaste woonplaats, gaf hem te kennen dat hij zonder middelen van bestaan was en opgenomen moest worden. De burgemeester antwoordde dat dat met de beste wil van de wereld niet mogelijk was aangezien Van Kuijk het vroeger zoo slecht gemaakt had dat niemand hem een onderkomen wilde verschaffen en omdat hij alhier geene wettige woonplaats had. Daarop reageerde Van Kuijk boos dat hij zou laten merken hoe slecht hij was, door heel Zeelst in brand te steken. Ook noemde hij de burgemeester een smeerlap, zei dat hij zich met het bloed van arme mensen rijk gemaakt had en meer van dergelijke smaadwoorden. Daarna verwijderde de burgemeester de man uit zijn woning. Van Kuijk stak de straat over, en tegenover het huis van de burgemeester ging hij op straat liggen.

GEZELLIGHEID KENT GEEN TIJD

Op 9 juli 1882 rond half elf in de avond ging burgemeester Jan Habraken naar de herberg van Wilhelmus van Santvoort in de kom van het dorp. Er bleken nog klanten aanwezig te zijn, ondanks dat Wilhelmus van Santvoort volgens eigen verklaring tegen hen had gezegd dat het tien uur was. Aanwezig waren: Antonius van Brussel, dertigjarige smid, Adrianus Couwenberg, van beroep landbouwer, zevenendertig jaar, en Petrus Blankers, een vijfendertigjarige wever, allemaal uit Zeelst. Dit rondhangen in het café na tienen was in overtreding met de algemene politieverordening van de gemeente, en er werd dan ook door de burgemeester persoonlijk proces-verbaal opgemaakt.

BRAND MEESTER

Op 24 december 1887 rond tien uur ’s avonds ontstond er door onbekende oorzaak brand in de Kom van Zeelst. Het huisje achter de woning van smid en herbergier Hendricus van Brussel, dat bewoond werd door Casparus Snoeks, had door onbekende oorzaak vlam gevat. Het huisje was met stro en pannen gedekt, en stond naast een stal. De brandweer kon de bijgebouwtjes niet redden. Toen sloegen plotseling de vlammen uit het huis van Hendricus van Brussel Zelf. In vrij korte tijd was men de brand meester. Hendricus van Brussel gaf de volgende schadebedragen op:
het huisje bewoond door Casparus Snoeks f 350,-
het huis bewoond door hemzelf f 500,-
roerende goederen f 450,-
Totaal geleden schade f 1300,-
Hendricus van Brussel was verzekerd tegen brandschade bij de Brandwaarborg Maatschappij voor het Koninkrijk der Nederlanden in ‘s-Hertogenbosch voor een waarde van:
het huis bewoond door hemzelf f 2000,-
het huis met annexe stalling door Snoeks bewoond f 400,-
mantels, huisraad, herberggereedschappen, smederijgereedschappen, granen, raden, peul- en andere veldvruchten f 700,-
Totaal bedrag f 3100,-
De derde taxateur van de verzekeringsmaatschappij inventariseerde de schade en kwam op de volgende bedragen:
roerende goederen f 139,-
het kleine huisje met annexe stalling f 250,-
het grote huis, brand- en waterschade f 100,-
totaal uit te keren bedrag f 489,-

ACH, ONGELUKKIGE

Wilhelmus Verhoeven, een vierendertigjarige landbouwer, kwam op 8 februari 1888 rond twaalf uur bij burgemeester Jan Habraken en vertelde het volgende: hij was rond elf uur in de ochtend in de woning van Jacobus Louwers, wever in de Biezekuilen. Daar bleek de vrouw van Louwers, Petronella Lotthrinkx, 46 jaar oud, een einde aan haar leven te hebben gemaakt door zich op de zolder op te hangen. Later verklaarde Johannes Hendricus Gijrath, de arts uit Valkenswaard die ook in Zeelst lijkschouwingen verrichtte, dat er bij de vrouw geen sporen van uitwendig geweld aan haar lichaam te bespeuren waren. Zij had slechts een diepe groef in haar hals waar de strop had gezeten, en een twee centimeter grote kras bij het strottenhoofd, die waarschijnlijk door haar nagel veroorzaakt was in haar doodstrijd. De conclusie was dat er geen kwade vermoedens jegens derden waren, maar dat de vrouw zelfmoord had gepleegd.
***
Wil je meer lezen over Zeelst in de negentiende eeuw? Hier lees je meer over wonen in Zeelst, hier over werken en hier over doodsoorzaken. Wil je meer lezen over markante Zeelstenaren? Lees dan dit eens. Meer lezen over schurken en schurkjes in Noord-Brabant? Kijk dan eens hier!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *